2.2 Kader

Een kader geeft docenten en leerlingen algemene aanwijzingen en een richtlijn voor gedrag. Het beschrijft een na te streven ideaal. Tussen ideaal en praktijk bestaat altijd een zekere spanning. Als het kader een gezamenlijk ideaal is dat duidelijk en bondig is vastgelegd, is de kans groot dat iedereen zich eraan houdt. Zo ontstaat wederzijds vertrouwen. Met een duidelijk kader zien docenten direct wie zich wel of niet aan het kader houdt.

Door te kijken of leerlingen zich houden aan het kader (invalshoek Observeren) zie ik direct of het nodig is dat ik gedrag van een leerling aanstuur of bijstuur.

Kinderen herkennen dat regels die het kwetsen van anderen voorkomen, morele regels zijn. Turiel definieert die regels als gerelateerd aan “rechtvaardigheid, rechten, en welzijn die voorschrijven hoe mensen met elkaar om horen te gaan”Haidt (2012)

Nu beantwoorden

Dit gebruik ik tot op heden als kader:….

Thuis beantwoorden

Mijn toekomstige kader ziet er als volgt uit:……

Introductievideo

Kader

Stephanie Heeren aan het woord over de module kader.

Nieuwsbericht op deze site over de module Kader:

Voorbeelden van een Kader

Kader Vriendelijk orde houden

Het is een oproep om op een vriendelijke en duidelijke manier met elkaar om te gaan.

Kader Pieter Nieuwland College  in Amsterdam. Meer info over dit kader hieronder bij punt 6.1

Kader Bonhoeffercollege

Vervolg voorbeelden kader

Voortgezet onderwijs

Bij een schoolbreed kader is het aan te raden jouw persoonlijke en vakgerichte vertaling hiervan te geven. Bespreek aan het begin van het seizoen met de groep welk concreet gedrag bij jouw vak hoort en waarom dit voor je leerlingen van belang is.  Een nieuw type verstoring later in het jaar die je graag zien verdwijnen, bespreek je met de groep. Je rond dit gesprek af met een positief geformuleerde regel die vanaf dat moment blijft gelden.

Primair onderwijs

In het PO is het waardevol om jouw- of het aanwezige schoolbrede kader samen met de leerlingen te vertalen naar concreet gedrag. Als de leerlingen deze positief geformuleerde klassenregels zelf hebben gemaakt, zullen ze sneller geneigd zijn om zich hiernaar te gedragen en zijn ze hier makkelijker op aan te spreken.

In het verloop van het schooljaar kun je deze lijst indien nodig in samenspraak met de groep aanvullen.

Inleiding kader

Kader is een deelgebied van de invalshoek Duidelijk van Vriendelijk orde houden (VOH) en is te zien als een losse module. Met deze module geef je jezelf en je leerlingen aanwijzingen en een richtlijn voor gedrag en daarmee maak je orde.

Een kader kun je zelf bedenken of je kunt gebruik maken van een schoolbreed kader. Op het gekozen kader is iedereen (binnen jouw lessen/binnen de hele school) aanspreekbaar. Een goed gekozen kader draagt bij aan een ongestoorde les, wederzijds vertrouwen en samenwerking.

VOH verstaat onder een kader een mededeling aan de muur met simpele en duidelijk aanwijzingen voor gedrag b.v. Vriendelijk + Duidelijk. Deze aanwijzingen maakt duidelijk welk gedrag wel en niet aan het kader voldoet. Voldoet het gedrag niet aan het kader dan stuur je dit gedrag aan- of stuur je het bij.

Kader is samen met Onderwijsdoelen en Verwachtingsmanagement onderdeel van de invalshoek Duidelijk

Bekijk het overzicht van Vriendelijk orde houden.

Inhoud

  1. Belang van een kader
    1.1 Wel een kader
    1.2 Geen kader
    1.3 Starten met een kader
  2. Toelichting kader
    2.1 Het effect van een kader
    2.2 Een kader vraagt de leerlingen afzien te zien van storend gedrag
    2.3 Leerlingen houden zich aan het kader
    2.4 Valkuilen kader
    2.5 kader en autoriteit
  3. Kader legt fundament
    3.1 Docent neemt initiatief voor kader
    3.2 School neemt initiatief voor kader
  4. Reikwijdte van een kader
    4.1 Schoolbreed
    4.2 In de klas, maar ook daarbuiten
    4.3 Werkweken
  5. Opstellen kader
    5.1 Kader voor leerlingen én docent
    5.2 Kader opgesteld alleen voor leerlingen
  6. Verband tussen kader en schoolregels
    6.1 Algemene toepasbaarheid schoolregels
  7. Kader in historisch perspectief
  8. Moreel handelen
  9. Aandachtspunten bij het opstellen van een kader
  10. Samenvatting kader
  11. Video

1 Belang van een kader

1.1 Wel een kader

Enerzijds geeft een kader ruimte voor ontplooiing en anderzijds begrenst het de manier van ontplooien.

  • Door een kader zie je direct welk gedrag wel en niet past bij het kader (b.v. Vriendelijk en duidelijk). Wie zich houdt aan het kader geef je compliment.
  • Een leerling die zich op een manier ontplooit die niet strookt met het kader stuur je  aan en indien nodig stuur je deze leerling bij. Als je het kader voor iedereen zichtbaar aan de wand hangt, is voor iedereen duidelijk welk gedrag niet gewenst is.

Een kader biedt vrijheid én structuur. Een kader maakt iedereen duidelijk wat wel bedoeling is. Het kader is ook op jou van toepassing. Daarom toon jij gedrag dat past bij het kader: Je toont het door jou gewenste gedrag: vriendelijk + duidelijk.

1.2 Geen kader

Zonder kader is er van alles niet afgesproken en is het voor leerlingen mogelijk elkaar  onvriendelijk en onduidelijk te benaderen. Als dat gebeurt en jij grijpt niet in, bestaat de kans dat groepen ontstaan die elkaar buitensluiten: Met een medeleerling die je onvriendelijk behandelt, wil je niet samenwerken en je wilt niet dat diegene jou helpt.

Zonder kader geef je ruimte voor ‘vrijheid van betutteling en belemmering’. Leerlingen onderling en ook docent en leerlingen kunnen elkaar dan in de weg zitten. Als je dit accepteert als horende bij je les, zul je toch evengoed moeten aan- en bijsturen om ervoor te zorgen dat er een krachtige leeromgeving blijft bestaan. Zonder kader beslis je bij elk incident ter plekke hoe en welk gedrag je corrigeert. Je neemt dan beslissingen die in de ogen van leerlingen willekeurig zijn. Conflicten liggen dan op de loer.

1.3 Starten met een kader

Voordat je start met VOH bepaal je zelf een kader, of je gebruikt het kader dat geldt op jouw school. Laat je inspireren door de bovengenoemde voorbeelden. In de eerste les, nadat je hebt kennisgemaakt met je leerlingen, bespreek je jouw kader of het door de school bepaalde kader met daarbij jouw vakspecifieke invulling van dat kader. Leg uit waarom het kader een voorwaarde is voor:

  • een aantrekkelijk leerklimaat waar je je goed kunt concentreren.
  • vrijheid om keuzes maken en jezelf te kunnen toetsen (Leerlinggestuurd onderwijs).
  • een ruimte om samen te werken en elkaar indien nodig te helpen, voor een hechte en sociale groep (samenwerken).

Dan begrijpen de leerlingen waarom je het kader bewaakt.

Als het kader is vastgesteld, is er minder ruis in de les en hoef je minder aan- en bij te sturen. Met een kader maak je orde.

Wil je dat jouw leerlingen ook buiten jouw lokaal profiteren van de module kader? Zet VOH dan schoolbreed in (Implementeren).

2 Toelichting kader

“Ik definieer moraliteit met wat het doet, liever dan te specificeren welke handelingen gelden als moreel” Haidt (2012).

2.1 Het effect van een kader

Een goed kader maakt iedereen duidelijk wat wel mag en impliciet maakt het duidelijk wat niet mag. Het is jouw verantwoordelijkheid het kader uit te leggen, dit te tonen in je gedrag (Toon gewenst gedrag) en het kader te bewaken (Aansturen en bijsturen). Door het gedrag van leerlingen te observeren en te kijken hoe hun gedrag zich verhoudt tot het kader, zie je direct welk gedrag je wel of niet moet aan- of bijsturen.
Een goed kader brengt iets teweeg waarvan iedereen direct het nut inziet. Daarom houden de meeste leerlingen zich aan het kader en begrijpt iedereen waarom je gedrag van een leerling die de les verstoort aan- of bijstuurt.

Wie afwijkt van het kader is hier in eerste instantie zelf verantwoordelijkheid voor. Bij gedrag dat afwijkt van het kader is niet ingrijpen geen optie; een onbewaakt kader is ongeloofwaardig. Een kader gaat samen met het bewaken daarvan.

2.2 Een kader vraagt de leerlingen af te zien van storend gedrag

De achterliggende gedachte bij het instellen van een kader is dat je de leerlingen vraagt om af te zien van drie vormen van verwerpelijk gedrag:

  1. Anderen beledigen
    Op school krijg ik de kans mijn eigen leven vorm te geven als ik mij houd aan twee eenvoudige aanwijzingen: vriendelijk en duidelijk. Om mijn eigen leven ongestoord vorm te kunnen geven, zie ik ervan af anderen te beledigen.
  2. Handelen zonder inmenging van anderen.
    Op school leer ik samenwerken. Dit vraagt van mij de bereidheid om mij aan te passen aan wensen van anderen.
  3. Ingaan tegen het bestaande kader.
    Mijn school heeft een kader opgesteld waardoor iedereen meetelt. Het stelt ons in staat samen te werken, onze talenten te ontwikkelen en onze eigenheid te ontdekken. Om dit mogelijk te maken, houd ik mij aan het gestelde kader.

Over de herkomst van deze opsomming: Deze vormen van verwerpelijk gedrag zijn geformuleerd na het lezen van een boek van Rob Wijnberg getiteld “Nietsche en Kant lezen de krant”. Wijnbergen (2011). Wijnbergen gaat in zijn boek, in op de door Nietzsche benoemde altijd aanwezige machtsstrijd. De kunst is om deze machtsstrijd vriendelijk, duidelijk en met open vizier te voeren én leerlingen ook de gelegenheid geven de leiding te nemen, daarmee geef je leerlingen invloed en stimuleer je samenwerking.

In zijn boek spreekt hij over drie ‘rechten’. VOH heeft dit veranderd in ‘vormen van verwerpelijk gedrag’.

Niet alle leerlingen zien direct af van verwerpelijk gedrag. Deze leerlingen stuur je eerst aan- en als dat niet helpt stuur je ze bij. Zo bewaak je het door jou ingestelde kader.

2.3 Leerlingen houden zich aan het kader

Leerlingen houden zich aan het kader:

  • als ze zien dat jij efficiënt bijstuurt.
  • als jij rustig blijft tijdens het bijsturen en boosheid weglaat.
  • omdat ze geen tijd willen verliezen aan het maken van een Tijdrovende opdracht.
  • omdat ze geen zin hebben om inhoudelijk over hun storende gedrag te schrijven en suggesties te doen voor verbetering van hun gedrag en dit daarna ook nog met jou te bespreken.
  • omdat ze weten dat ze de Tijdrovende opdracht echt moet maken en deze bij jou of bij de leiding moeten inleveren.
  • omdat een leerling die een Tijdrovende opdracht krijgt de omvang ervan overdrijft tegenover  klasgenoten, vermijden andere leerlingen het krijgen van een Tijdrovende opdracht. Dat lukt als ze zich houden aan het kader.

Leerlingen houden zich aan het kader omdat ze het krijgen van een Tijdrovende opdracht willen vermijden en

  1. omdat ze zien dat aan het geven van een Tijdrovende opdracht voorspelbare stappen voorafgaan en omdat dat er bij het uitdelen van een opdracht geen sprake is van willekeur. Door deze voorspelbaarheid ontstaat rust en duidelijkheid.
  2. omdat ze zien dat jij de Tijdrovende opdracht zonder rancune en slechts zelden uitgedeelt.
  3. omdat ze merken dat leerlingen die de Tijdrovende opdracht krijgen geen kans krijgen om hun gram te halen in de les.
  4. omdat ze merken dat het gedrag van degene die de Tijdrovende opdracht heeft gekregen verbetert, waardoor iedereen zich beter kan concentreren.

2.4 Valkuilen kader

Woud van knellende regels

Wat VOH afraadt, is dat jij (of de school) al op voorhand precies de omgekeerde situatie van vrijheid installeert: een woud van knellende, sturende, concrete regels, die het gedrag kortwieken, zonder pedagogische waarde (in deze kale vorm) en die lang niet altijd passen bij de situatie met als excuus: “zo zijn hier nu eenmaal de regels”.

Slechts één principe ten grondslag leggen aan een kader

Nu volgen een aantal citaten van uit The righteous mind van Jonathan Haidt

Slechts één principe ten grondslag leggen aan een kader brengt dit gevaar met zich mee:

Hij (David Hume) zag ook een diversiteit van deugden en hij wees pogingen van sommigen van zijn tijdgenoten af om moraliteit te reduceren tot één enkele deugd zoals ‘Vriendelijkheid”, of om alle deugden weg te doen en ze te vervangen door een paar morele wetten.Haidt (2012), Jonathan

Precies deze eenzijdige keuze voor vriendelijkheid, of juist de eenzijdige keuze voor té duidelijk, is de valkuil die naar voren komt in de tekenfilm van Vriendelijk orde houden. Docent Koen beperkt zich in deze film voor  alleen (té) vriendelijk. De andere docent in deze tekenfilm, Inge, beperkt zich tot té duidelijk (streng).

Eigen kader als leidend nemen

Het gevaar van een te persoonlijk kader is dat je anderen met een kader dat niet samenvalt met dat van jou afkeurt.

Turiel, in contrast, defined morality as being about “justice, rights, and welfare.” But any effort to define morality by designating a few issues as the truly moral ones and dismissing the rest as ”social convention” is bound to be parochial. It is a moral community saying, “Here are our central values, and we define morality as being about our central values; to hell with the rest of you.

When you have a single clear principle, you can begin making judgments across cultures. Some cultures get a higher score than others, which means that they are morally superior.

That binding usually involves some blinding – once any person, book, or principle is declared sacred, then devotees can no longer question it or think clearly about it (Haidt (2012).

2.5 Kader en autoriteit

Als leerlingen het nut inzien van het kader, verlangen zij van jou dat jij het kader bewaakt onder de voorwaarde dat jij je net als zij houdt aan het kader. Plaats je jezelf buiten je eigen kader, dan is het kader ongeloofwaardig en zullen jouw leerlingen jou het recht om het kader te handhaven betwisten.

Leerlingen die de school als vrijheidbeperkend ervaren zullen ondanks jouw goede bedoelingen jouw autoriteit betwisten. VOH adviseert stug vol te houden en de juiste stappen na elkaar te zetten: Aansturen met lichaamstaal,  aansturen met Tips, bijsturen met Tijdrovende opdracht, bijsturen met hulp van de schoolleiding. Juist bij drukke klassen kan het werken met aan- en bijsturen op de manier van VOH voor protest zorgen. Een verklaring hiervoor is dat bij drukke klassen leerlingen gewend zijn om docenten als marionet kwaad te kunnen maken. Als jij met het instellen van een kader, het tonen van gedrag dat past bij het kader en het bewaken van het kader je niet meer als marionet laat aansturen, zullen zij zoeken naar de zwakke plekken van de nieuwe aanpak. Geduld en volhouden is hier het devies.

3 Kader legt fundament

Een kader geeft richting. Het beschrijft een ideaal waar iedereen het eigen gedrag steeds naar kan richten en aan kan toetsen of bijstellen. Het geeft iedereen een rechtvaardiging om elkaar voor gewenst gedrag te waarderen en op ongewenst gedrag aan te spreken. Het geeft je ook de rechtvaardiging en onderbouwing voor regels, concrete aanwijzingen, doelgerichte maatregelen waarmee je het gedrag van leerlingen bijstuurt (Tijdrovende opdracht) en voor procedures die deze maatregelen borgen (Hulp leidinggevende).

3.1 Docent neemt initiatief voor kader

Als jij vindt dat de school geen duidelijkheid kader heeft (maar wel een knellend woud van regels), stel dan je eigen kader op. Jouw kader verwoordt dan de richting die jij als docent op wilt. Voordat jij jouw kader inzet in je lessen bespreek je het met jouw leerlingen. Als jouw kader in de praktijk goed werkt, bestaat de kans dat andere docenten jouw kader overnemen.

3.2 School neemt initiatief voor kader

Doorgaans heeft een school een  kader. De schoolleiding formuleert dan samen met de docenten een kader en geeft aanwijzingen hoe dit kader te bewaken. Het kader bepaalt dan voor de hele school de manier van omgaan met elkaar. Aan het begin van het jaar presenteren alle docenten dit kader aan de leerlingen en bespreken zij dit met hen. De leidinggevenden ondersteunen docenten als een leerling zich niet door een docent laat bijsturen.

4 Reikwijdte van een kader

4.1 Schoolbreed

Een kader geldt voor iedereen; net zo goed voor jezelf als voor de leerlingen. Het is het ijkpunt en de toetssteen voor al het gedrag van elke leerling én jezelf. Als het kader schoolbreed is ingesteld, dan geldt het voor alle leerlingen en het team, de schoolleiding en het Onderwijs ondersteunend personeel.

4.2 In de klas, maar ook daarbuiten

Een kader geldt in alle situaties die het bestrijkt. Dat is wel even iets om bij stil te staan. Als jij met je leerlingen een kader afspreekt, dan geldt dat tussen jullie overal waar je volgens en namens de school verantwoordelijk bent voor de instandhouding van een aantrekkelijk leerklimaat, en waar de school dus van jou verwacht dat jij het kader handhaaft. Dat is natuurlijk tijdens jouw les en in jouw lokaal, maar ook bij ontmoetingen in de aula en de gangen, tijdens contact bij projecten en voorstellingen en excursies, bezoek aan schooltuinen en musea of een werkweek. Hieraan kun je zien dat het veel beter is een kader schoolbreed in te stellen. Dan dragen alle collega’s hun steentje bij en kan iedereen elkaar hierop aanspreken.

4.3 Werkweken

Ook als het kader niet schoolbreed is vastgesteld, kun je je eigen kader (je ‘morele contract’ met je leerlingen) buiten je eigen les en klaslokaal overeind houden. Ten eerste voorkom je daarmee dat leerlingen zich buiten je les en lokaal buiten het kader plaatsen en zich met rechtvaardiging gaan misdragen. Dat is iets wat je heel vaak ziet gebeuren. Een werkweek kan bij afwezigheid van een kader snel ontaarden.

Ten tweede voorkom je dat er bij je leerlingen het beeld ontstaat dat het kader slechts een betrekkelijke, beperkte waarde en werkelijkheid heeft, waardoor ook de werkzaamheid ervan binnen je les en lokaal vermindert.

Ten derde zou het kader je ook buiten je eigen les en lokaal juist moeten helpen om het gedrag van je leerlingen te reguleren, anders schort er iets aan de formulering.

En ten slotte zou het kader wegens zijn “vanzelfsprekende aanvaardbaarheid” óók een steun moeten zijn bij het reguleren van leerlingen die niet in jouw klas zitten – zelfs al zou een leerling het kader voor het eerst horen, dan nog zouden ze een direct appèl moeten doen op gewenst gedrag. Kortom, het is van groot belang dat je met je leerlingen afspreekt dat het kader overal geldt waar jullie onder schoolverantwoordelijkheid bij elkaar zijn.

5 Opstellen kader

De formulering van een kader moet breed zijn, zo breed dat hij alle relevante aspecten van het gedrag in alle gegeven situaties omvat. Tegelijkertijd moet het echter zo bondig geformuleerd zijn, dat je er altijd gemakkelijk aan kunt denken en naar kunt verwijzen. De taal moet (daarom) ook goed aansluiten bij de doelgroep. Dat pakket van eisen is niet gemakkelijk verenigbaar. Daarom loont het de moeite om goed over de formulering na te denken.

Bij het opstellen van een kader zoek je naar aanwijzingen die richting geven voor gedrag en zoek je naar een richtlijn waar gedrag aan getoetst kan worden. Je zoekt naar aanwijzingen met een algemene strekking. Hoe duidelijker en bondiger het kader is geformuleerd, hoe sneller kun je het uitleggen. Zo is de kans groot dat je leerlingen de aanwijzingen van het kader opvolgen.

5.1 Kader voor leerlingen én docent

Bij het opstellen van een kader houd je rekening met de algemene geldigheid ervan. Het geldt zowel voor de leerlingen als voor jou.

5.2 Kader opgesteld alleen voor leerlingen

In zijn boek Lessen in orde bespreekt Teitler ook het gebruik van een kader (Teitler 2017). Hij schrijft daarover het volgende: “Houd daarbij in je achterhoofd een kader waaraan je het gedrag van leerlingen altijd kunt toetsen: Zó wil ik dat er gewerkt wordt: Optimaal en Ongestoord. Zó wil ik dat we omgaan met elkaar en het materiaal: Veilig, Vriendelijk en Verantwoordelijk.”

Zijn gebruik van de term kader wijkt in enkele belangrijke opzichten af van de manier waarop VOH met een kader werkt. Ten eerste benoemt hij het als iets wat in het achterhoofd van de docent blijft. Hier mist de zelfregulerende werking op de leerlingen terwijl dat nu juist de bedoeling is van een kader.

Hij benoemt het ook als iets waaraan de docent het gedrag van leerlingen kan toetsen. Dat is op zichzelf prima, maar het gedrag van de docent blijft zo buiten schot. De kracht van het expliciet gemaakte kader is nou juist dat het werkt als een moreel contract tussen alle betrokkenen: tussen leerlingen onderling en tussen leerlingen en docent (vanuit de leerlingen gezien) en tussen docent en leerlingen (vanuit de docent gezien). Die wederkerigheid, die ‘eerlijkheid’, is juist een van de sterke, vertrouwen scheppende aspecten van het kader.

6 Verband tussen kader en schoolregels

Bij veel scholen hangt er aan de muur een lijst met schoolregels. Een schoolregel kan schools overkomen en daarom juist overtreding van de regel uitlokken. Als het kader kort en bondig is én algemeen geldend, dan is het voldoende om alleen deze bondige formulering van het kader op affiches te tonen in de school.

6.1 Algemene toepasbaarheid schoolregels

Een kader stel je op met positieve steekwoorden. Schoolregels expliciteren deze steekwoorden. Let daarbij op de algemene toepasbaarheid van jouw schoolregels.

Als voorbeeld een bespreking van kader en schoolregels van het Pieter Nieuwland College.

Het kader van het Pieter Nieuwland College (zie link hierboven) is: “Aardig, waardig, vaardig”. Het is opgesteld met positieve steekwoorden.

Bekijk de jaargids van het PNC 2020-2021 bij punt 5.6 én de daarbij behorende bijlage bij de schoolregels (AD 5.6)

De afzonderlijke termen van het kader worden in de schoolgids aangevuld met een lijst schoolregels.

In de jaargids 2020-2021 van het Pieter Nieuwland College staan de volgende regels. Nu volgt een bespreking door Vriendelijk orde houden van de algemene geldigheid van deze regels.

  1. Onder het kopje Waardig:

“Geen pet in school en geen jas in het lokaal” – Deze regel geld zowel voor leerlingen als voor docenten. Zou je deze regel niet opstellen, dan geef je leerlingen een vrijbrief om met pet en jas permanent een signaal uitzend te zenden: ik bepaal zelf wat ik doe, ik vind het hier niet leuk, als ik zin heb kan ik meteen de deur uitlopen. Omdat deze regel voor iedereen geldt, werkt deze ook goed.

  1. Onder het kopje Aardig:

“Wij volgen aanwijzingen van schoolpersoneel op.” In deze schoolregel staat vermeld voor wie deze regel geldt en hij benadrukt de gezagsverhoudingen. Daarom is deze aanvulling geen algemeen geldende regel en doet deze aanvulling afbreuk aan het algemeen geldende kader.

  1. Onder het kopje Waardig:

“Wij vertonen geen pestgedrag richting medeleerlingen/docenten”. Bij deze schoolregel lijkt het alsof een leerling aan het woord is. Vermoedelijk onbedoeld geeft deze regel een signaal dat docenten leerlingen ongestraft mogen pesten. Wellicht is deze aanpassing daarom zinvol: “Wij vertonen geen pestgedrag richting leerlingen en docenten” of misschien nog beter: “Wij vertonen geen pestgedrag.”

7 Kader in historisch perspectief

Het is belangrijk dat iedereen profiteert van het kader. Een ander woord voor kader is imperatief, oftewel zedelijk gebod. De filosoof Kant noemt aanwijzingen voor gedrag van algemene strekking een categorisch imperatief. Een impera­tief is categorisch als het onvoorwaardelijk en onder alle mogelijke omstandigheden voor iedereen van kracht is.

“[Kant] merkt op dat een goede theorie over opvoeding een prachtig ideaal is, en dat het helemaal niet erg is wanneer we niet direct in staat zijn dat ideaal te realiseren. Je moet de idee erachter dan niet meteen als een hersenschim beschouwen, of als een mooie maar niet te verwezenlijken droom, juist als er allerlei hindernissen (in jezelf of van buitenaf) bij de uitvoering ervan optreden. En dan zegt hij: ‘Een idee is niets anders dan een begrip van een volkomenheid die in de ervaringswerkelijkheid nog niet wordt gevonden, bijvoorbeeld een volkomen volgens regels van de rechtvaardigheid geregeerde republiek! Maar is die daarom onmogelijk?’ In ieder geval is het zaak je idee helder te krijgen, om dan zo mogelijk de hindernissen uit de weg te ruimen.”  Visser (2017)

Net als Kant zoek je, of zoekt de school naar een kader met algemene strekking.

8 Moreel handelen

Als je ziet dat jouw leerlingen in het leven verstandige keuzes maken en dat ze hun verantwoording nemen in de maatschappij dan stemt dat tot tevredenheid. Welke rol speel jij bij het handelen van je leerlingen? Hoe zet je leerlingen aan tot moreel handelen?

  1. Een eerste aanzet is het maken van een kader. In hun schooltijd bepaalt dit hoe ze zich in jouw lessen gedragen. Je hoopt dan dat je leerlingen ook na hun schooltijd zich dit kader blijven gebruiken.
  2.  Door de manier waarop jij lesgeeft, ben jij een voorbeeld voor je leerlingen.
  3. Niet alleen jouw voorbeeld is bepalend: Alleen als je zelf iets goed vindt, zul je het doen  Wijnbergen (2011), Rob. ‘Je’ betreft in deze uitspraak zowel de leerling als de leraar.
  4. Na geruime tijd krijgen leerlingen eigenaarschap over hun eigen handelen en is dit bepalen voor hun identiteit: Waarom ik handel is wie ik ben (Kant).

9 Aandachtspunten bij het opstellen van een kader

  • Een aanwijzing voor gedrag valt niet onder een kader als het een persoonlijke stelregel is. Een ander woord voor persoonlijke stelregel is maxime.
  • Een aanwijzing voor gedrag die niet altijd of slechts onder bepaalde voorwaarden geldt, kan niet gebruikt worden voor een kader. Een ander woord voor een regel die slecht onder bepaalde voorwaarden geldt is een hypothetisch imperatief.
  • Het is de kunst om een kader voor iedereen te laten gelden. Alleen dan ontstaat een hechte groep waarbij iedereen welkom is.

10 Samenvatting kader

Een kader geeft richting aan gedrag. Jij toont gedrag dat past bij het kader en geeft daarmee het goede voorbeeld. Vervolgens profiteer je van het feit dat leerlingen jouw gedrag overnemen. Als jij je gedraagt op een manier die past bij het kader, zie je dat als vanzelf terug in het gedrag van je leerlingen. Bovendien geeft jouw voorbeeldfunctie jou het recht om een leerling die gedrag vertoont dat niet past bij het kader aan- en indien nodig bij te sturen. De ervaring leert dat leerlingen zich moeiteloos schikken in een gemeenschappelijk kader, mits dat kader iedereen voordelen biedt én als de leidinggevenden dit kader laten zien in eigen gedrag én als leidinggevenden het kader bewaken.

  • Stel in een les gebeurt iets onverwachts dat de les verstoort. Als je wilt dat je leerlingen dit voortaan achterwege laten, wees daar dan duidelijk over. Maak aan het begin van de volgende les je leerlingen duidelijk wat voortaan niet meer de bedoeling is en hoe dat voortvloeit uit het kader.
  • Je formulering van jouw kader kan woorden bevatten waarvan niet alle leerlingen weten wat ze precies betekenen. Je kunt goede redenen hebben om die woorden toch te willen gebruiken, maar je zult die betekenissen dan wel goed moeten uitleggen bij de introductie van je kader. Als voorbeeld het woord ‘waardig’. Dat heeft een dubbele betekenis: “het waard zijn” en “van waarde zijn”. Je toont jezelf “het waard” om door anderen verrijkt te worden met leerzame ervaringen door je daarnaar te gedragen. Zo’n woord leg je daarom uit aan je leerlingen. Als je het kader bespreekt, zoek dan naar concrete aanknopingspunten met de termen die deel uitmaken van het kader om deze termen “op de grond te zetten”.
  • Formuleer je kader positief. Gebruik bij het opstellen van een kader uitsluitend positieve steekwoorden. Negatief geformuleerde regels brengen leerlingen op verkeerde gedachten: Blijkbaar zijn er leerlingen die deze regels overtreden, anders waren ze niet nodig.

11 Video

Met VOH hoef je geen strijd meer te voeren met leerlingen.
3.22 Leerlingen weten waar ze aan toe zijn. Door de grenzen af te bakenen weten de leerlingen dat ze elkaar kunnen vertrouwen. Een relatie opbouwen heeft niet alleen te maken met vriendelijk zijn, maar ook met duidelijk zijn.