Aansturen en Bijsturen: inleiding
Op deze pagina
- Oorzaken verstoringen
- Metafoor: Rijbewijs – Geleidelijk remmen – Verkeerslicht – Ketting
- Zes componenten van Aansturen en Bijsturen
- Starten met Aansturen en Bijsturen in twee periodes
- In vier situaties een leerling of de groep aanspreken op gedrag en inzet
4.1 Tabel werkvorm / aanspreken op gedrag - Tijdsinvestering Aansturen en Bijsturen voor docent en leerling
- Astrid Boon – Belang van orde
- Voorbeelden
7.1 verkorte vorm aansturen en bijsturen - Samenvatting Aansturen en Bijsturen
- Credits
Leerlingen zien direct of een docent kan orde houden. Een docent die orde kan houden, handelt weloverwogen, observeert, heeft de les goed voorbereid en beschikt over een strategie om een verstoring van de les op te lossen (Aansturen en Bijsturen). Deze docent spreekt leerlingen efficiënt aan op gedrag en inzet. Vriendelijk Orde Houden (VOH) helpt docenten bij het bepalen van hun strategie.
Met Vriendelijk Orde Houden ((VOH) kan ik geleidelijk de manier waarop ik leerlingen aanstuur (non-verbaal, verbaal) en bijstuur (met een maatregel) steeds vriendelijker, duidelijker en effectiever maken.
Introductievideo
Voor meer informatie bekijk hier onze overige introductievideo’s.
Huidige aanpak:
Hoe houd ik nu orde?
Toekomstige aanpak:
Hoe spreek ik in de toekomst leerlingen aan op gedrag en inzet?
Inleiding
‘Aansturen en Bijsturen’ is een van de vijf invalshoeken van Vriendelijk Orde Houden (VOH).
Video met informatie voor de docent over Aansturen en Bijsturen
Afbeelding 81: Aansturen en Bijsturen (overzicht)
Bij deze invalshoek draait het om het vriendelijk, duidelijk en consequent handelen. Met het ‘Kader’ geef je aan hoe je wilt dat je lessen verlopen: vriendelijk en duidelijk. Met de Driehoek geef je aan van je leerlingen per werkvorm verwacht. Met ‘Aansturen en Bijsturen‘ vraag je een leerling het ‘Kader en de Driehoek serieus te nemen.
Lesgeven en leerlingen aanspreken op gedrag en inzet zijn met elkaar verbonden. Uit ervaring weet je als docent dat orde niet vanzelfsprekend is. Aan orde gaat interactie, samenwerking, gesprekken met leerlingen en denkwerk van de docent vooraf.
Het ontwikkelen van een persoonlijke stijl waarmee je leerlingen aanspreekt op gedrag en inzet is vaak een langdurig proces. Als het aanspreken van leerlingen moeizaam blijft verlopen, kan lesgeven al snel als zwaar aanvoelen. Dit hoofdstuk helpt je bij het efficiënt aanspreken van leerlingen op gedrag en inzet.
Bij het aanspreken van een leerling op gedrag of inzet onderscheidt VOH drie (vriendelijk en duidelijke) stappen:
Waar het uiteindelijk om gaat is dat je je goed met je leerlingen kunt werken. Bepaal zelf wat je van dit hoofdstuk wilt toepassen. Misschien is een kleine aanpassing al voldoende.
Waarschijnlijk heb je al een eigen manier gevonden waarop je non-verbaal of verbaal een leerling aanstuurt en beschik je al over een maatregel waarmee je een leerling bijstuurt die niet goed op jouw aansturen reageert. Met dit vijfde hoofdstuk bieden we je de mogelijkheid om de manier waarop je een leerling aanstuurt en bijstuurt geleidelijk steeds vriendelijker te maken. Daarmee voorkom je dat je boos uitroept ‘Ik ben het zat’ en vervolgens overgaat tot het uitdelen van strafwerk of tot het eruit sturen van een leerling. Met ‘Aansturen en Bijsturen’ zorg je ervoor dat je goed met je leerlingen kunt opschieten, dat zij goed opletten als jij iets uitlegt, dat je ongestoord een klassengesprek voert én dat je leerlingen zelfstandig aan het werk gaan. Als gevolg hiervan verbeteren de resultaten.
VOH adviseert om aan het begin van een nieuw schooljaar deze drie stappen (of varianten daarop) als een samenhangend geheel te introduceren bij je leerlingen in de ‘Oefenperiode‘. Als je gewend bent aan een nieuwe manier van werken, kun je de aanpak nog verder verfijnen door het Telraam te introduceren (Telraam introduceren).
Zoals meerdere denkers benadrukken: iemand kan niet tegelijk reflecteren en agressief handelen. Tijd nemen om na te denken remt impulsief gedrag.
Zowel voor jou als voor je leerlingen is vriendelijk zijn en vriendelijk blijven een streven, een resultaat van een gezamenlijk leerproces dat tijd kost: een manier van werken waar je je voor in moet zetten en waar jij en de leerlingen aan moeten wennen.
Meer informatie van VOH over Aansturen en Bijsturen
Om deze invalshoek verder te verdiepen, biedt VOH op deze plaatsen informatie aan:
- ‘Aansturen‘. Eerst stuur je een leerling non-verbaal aan en vervolgens verbaal.
- ‘Bijsturen‘. Je stuurt een leerling bij met een effectieve maatregel.
- ‘In de ‘Oefenperiode‘ introduceer je het ‘Kader‘ en de Driehoek en spreek je elke leerling individueel aanspreekt op gedrag of inzet met ‘Gebaren‘, Tips en de Brief over toekomstig gedrag.
- Na de ‘Oefenperiode’ kun je er voor kiezen om niet alleen elke leerling individueel aan te spreken, maar ook de groep als geheel. Je beperkt dan het aantal verstoringen op twee manieren (Telraam introduceren).
- ‘Handleiding Aansturen en Bijsturen‘. Deze handleiding gebruik je als je zowel de ‘Oefenperiode‘ achter de rug hebt en het Telraamhebt geïntroduceerd.
- Aansturen en Bijsturen: Instructievideo’s
Twee kanttekening bij alles wat nu volgt:
- In het onderwijs krijg je te maken met leerlingen die verschillend van aard zijn. Soms is het nodig om je te verdiepen in de aard en situatie van een leerling. Misschien maak je dan voor die ene leerling een uitzondering. Onderwijs is maatwerk.
- Om goed te kunnen oordelen als docent moet je op het toppunt van je kunnen presteren en zo gezond mogelijk zijn. Start je een les vermoeid, dan raak je sneller geïrriteerd en dat heeft zijn weerslag op jouw lessen. Jouw stemming bepaalt het verloop van de les. Zie invloed van een leraar
1. Oorzaken verstoringen
De oorzaak van een verstoring van de les kan liggen bij:
- de docent:
Ontbreken ‘Kader‘, – geen Driehoek, niet efficiënt aan- en bijsturen, niet vriendelijk lesgeven, teveel accent op ‘Docentgestuurd onderwijs‘ of juist teveel het accent op ‘Leerlinggestuurd onderwijs‘ - de leerling:
– Leerprobleem, les te makkelijk of te moeilijk, persoonlijke omstandigheden (verliefdheid, onderlinge conflicten, jaloezie, de manier waarop klasgenoten met elkaar omgaan, spanning thuis, te veel online zijn of tegenvallende prestaties).
– bijziendheid. Als een leerling zich schaamt voor het dragen van een bril, zal deze leerling de bril niet dragen. Zonder bril kan de leerling niet lezen wat er op het bord staat. Om dat te maskeren, kan een leerling de les verstoren. Als je de indruk krijgt dat een leerling de informatie op het bord niet kan lezen, test dan tijdens een persoonlijk gesprek in hoeverre een leerling in staat is te lezen wat er op het bord staat. Als je merkt dat de leerling niet scherp genoeg ziet om het bord te lezen, geef je de leerling een plek vooraan in de klas. Breng de mentor en de schoolleiding ervan op de hoogte dat de leerling niet goed ziet.
– heeft extra ondersteuningsbehoeften - externe factoren:
Brandalarm, onverwachte lokaalwisseling, pesten (via internet) een nieuwe leerling bij de groep, een verhuizing, conflicten en oorlogen in landen van herkomst etc.
Hoe goed je ook lesgeeft, altijd kan er een verstoring plaatsvinden. Of de oorzaak nu bij jou ligt, bij de leerlingen of dat de verstoring een externe oorzaak heeft, het is geruststellend als je weet hoe je een verstoring oplost. Vriendelijk Orde Houden adviseert docenten om verstoringen van de les op een vriendelijke, duidelijke en planmatige manier op te lossen (Aansturen en Bijsturen).
2. Metafoor: Rijbewijs – Geleidelijk remmen – Verkeersllicht – Ketting
Als je keer op keer laat zien dat je:
- lesgeeft op een vriendelijke en duidelijke manier,
- instructie geeft en dat afwisselt met leerlingen de kans geven om zelf het initiatief te nemen,
- observeert,
- én effectief aan- en bijstuurt,
dan ben je volgens VOH te vergelijken met iemand met een rijbewijs. Je bent dan in staat om een groep te leiden en om leerlingen zelfstandig te laten werken. Ook ben je in staat om een leerling die stoort of niet aan het werk gaat geleidelijk af te remmen (Vol op de rem trappen kan averechts werken). Zie Astrid Boon).
Kleuren van een verkeerslicht
In deze afbeelding zie je de kleuren terug van een verkeerslicht. De vijf schakels staan voor de vijf invalshoeken van VOH- die allen onmisbaar zijn in het onderwijs. Van deze schakels is een ketting gemaakt. Een ketting is zo sterk als de zwakste schakel. VOH adviseert daarom om elke les aandacht te besteden aan alle vijf de invalshoeken.
De kleur groen geeft aan dat je leerlingen wilt stimuleren. De kleuren oranje en rood geven aan dat je een leerling wilt afremmen. De bovenste schakel van de ketting (Non-verbaal/Verbaal Aansturen/Oranje) + Bijsturen met een maatregel/rood) staat voor geleidelijk afremmen. Als je alle schakels in je lessen toegepast, geef je met plezier en succes les.
- Stimuleren van leerlingen zie je terug in de onderste vier schakels van de ketting (Invalshoeken: Observeren, Lesinhoud, Duidelijk en Vriendelijk).
- Geleidelijk afremmen zie je terug in het onderste oranje deel van de bovenste schakel van de ketting (Aansturen).
- Stevig remmen zie je terug in het bovenste rode deel van de bovenste schakel van de ketting (Bijsturen).
Weglaten van de rem
Zonder rem kun je niet autorijden. Stel, je bent een docent die veel waarschuwt en aan die waarschuwingen meestal geen consequenties verbindt. Bij de zoveelste verstoring krijg je er genoeg van en op een boze manier stuur je een leerling de les uit. Op dat moment ben je te vergelijken met een automobilist die hard op de rem trapt. Met VOH rem je voorspelbaar en geleidelijk. Dat is prettig voor jou én voor je leerlingen. Zij merken dat je planmatig te werk gaat en niet uit je evenwicht raakt als je een leerling aanspreekt op gedrag of inzet. Zij merken dat je weloverwogen handelt en niet uit boosheid of frustratie. De rust die daardoor ontstaat, zorgt ervoor dat alle aandacht naar de les gaat. Als je planmatig en evenwichtig aan- en bijstuurt, vergroot dat de kans dat je dit vak met plezier en gezondheid kunt blijven uitoefenen.
3. Zes componenten van Aansturen en Bijsturen
Aansturen en Bijsturen bestaat bij VOH uit zes componenten. Nu volgt in twee kolommen een beschrijving van het component én wat er kan gebeuren als je een component weglaat.
Toepassen component
Component 1
Binnen een periode begrens je het aantal keer dat een leerling de les verstoort. Deze voorspelbare grens zorgt voor rust bij jou en bij de leerling. Lees (ook voor het PO) hoe je de lengte van een periode bepaalt.
Niet toepassen component
Als je niet werkt in periodes, als je per les beslist of je wel of niet een maatregel neemt – bijvoorbeeld na twee waarschuwingen – dan kun je bij een klas van dertig leerlingen zestig keer waarschuwen zonder dat je een maatregel neemt. Je bent dan voortdurend leerlingen aan het aanspreken op gedrag of inzet. De inhoud van de les gaat dan verloren. Om dat te vermijden werk je (in het VO) in periodes van acht lessen. In die periode noteer je Tips op lijsten.
Component 2
Met de Driehoek laat je per werkvorm aan je leerlingen zien wat je van ze verwacht: ‘Graag opletten tijdens de uitleg ’ of ‘Gebruik je tijd om aan de opdrachten te werken’.
Zonder Driehoek is het voor leerlingen minder duidelijk of jij van hen verwacht dat ze opletten of dat jij van hen verwacht dat ze aan het werk gaan. Daarom geef je zowel bij frontaal lesgeven als bij zelfstandig werken aan wat je van leerlingen verwacht.
Component 3
Jij houd je aan het ‘Kader‘ (Vriendelijk + Duidelijk). Je leerlingen nemen na verloop van tijd jouw voorbeeld over. Zij gedragen zich onderling ook vriendelijk.
Zonder ‘Kader‘ is er niets afgesproken over omgangsvormen. Dat jij liever niet wilt dat leerlingen onvriendelijk met elkaar omgaan is dan nog niet benoemd. Met een ‘Kader‘ geef je aan dat onvriendelijk gedrag niet gewenst is en neemt de kans op onvriendelijk gedrag af.
Component 4
Bij component 4 spreek je in drie stappen leerlingen aan op gedrag en inzet:
4a – stap 1
Non-verbaal. Advies VOH: Gebruik naar keuze een serie ‘Gebaren‘ waarmee je een leerling vraagt te stoppen met praten, te stoppen met storen of een leerling vraagt aan het werk te gaan. Die gebaren zijn onhoorbaar en daardoor blijft alle aandacht bij de les. Je bespreekt deze gebaren met je leerlingen zodat zij deze kennen en herkennen. Zie Non-verbaal aansturen – stap 1
Als je geen gebaren gebruikt om leerlingen aan te spreken op gedrag of inzet, zul je al snel terugvallen op verbaal waarschuwen. Je onderbreekt dan je uitleg, of verstoort zelfstandig werken. Verbaal waarschuwen gaat vaak gepaard met fronzen, boos kijken, dreigen, je groot maken of dominant gedrag vertonen. Dit alles leidt af, maakt de les grimmig en je leerlingen nemen deze manier van communiceren van jou over en voor jou is het vermoeiend. Daarom is het aan te raden om als eerste stap op een vriendelijk manier gebaren te gebruiken bij het aanspreken van leerlingen op gedrag en inzet.
4b – stap 2
Verbaal. Advies VOH: Een leerling die de les verstoort of die een medeleerling stoort geef je een ‘Tip‘ (positief advies) . Je spreek een leerling op een vriendelijke manier aan op gedrag en inzet: “Graag opletten” of “Graag aan het werk”. Je vestigt de aandacht van de leerling op gewenst gedrag en herinnert de leerling aan de afbeelding van de ‘Driehoek‘ die dan zichtbaar is.
Je noteert een ‘Tip‘ met als doel zo min mogelijk aan en bij te sturen. Met het tellen van ‘Tips‘ geef je per periode elke leerling een zekere marge en geef je duidelijk je grens aan. Binnen die marge kan een leerling fouten maken en jouw grenzen verkennen. Zie ‘Verbaal aansturen – stap 2‘.
Als je leerlingen ‘Tips‘ geeft maar waarschuwt (negatief gedrag benoemt), klinkt er al snel irritatie door in je stem. Je komt ongeduldig of boos over bij de leerling.
4c – stap 3
Maatregel. Advies VOH: De maatregel waarmee je gedrag bijstuurt is de ‘Brief over toekomstig gedrag’. Een leerling die stoort of die niet werkt aan een opdracht vraag je aan jou een brief te schrijven. Deze maatregel is effectief omdat:
- het schrijven van de brief een leerling tijd kost.
- de leerling meedenkt bij het oplossen van de verstoring.
- de relatie tussen docent en leerling wordt hersteld.
- de leerling een handtekening zet onder de brief en jij de brief bewaart. Vanaf dat moment is de brief een afspraak tussen jullie.
- de leerling de brief altijd inlevert.
Als je in plaats van de ‘Brief over toekomstig gedrag’ akelig strafwerk geeft of een leerling uit de les stuurt, ontstaat er verwijdering tussen jou en de leerling. Daarom gebruik je in plaats van strafwerk de brief.
Als een leerling de brief niet inlevert, kun je ervoor kiezen om daar geen werk te maken, je doet of je vergeet dat je de opdracht hebt gegeven. Je kunt er ook op blijven aandringen dat de leerling de brief bij jou inlevert. Als je op deze manieren reageert, ervaart de leerling jou als slap dan wel als een dwingeland. Daarom is het belangrijk dat je ofwel zelf actie onderneemt in een tussenuur of samenwerkt met je leidinggevende. Dan blijf je vriendelijk.
Component 5
Zowel wat betreft ‘Tips‘ als wat betreft het laten schrijven van brieven geeft VOH het volgende advies:
- Streef ernaar om een leerling per les slechts één ‘Tip‘ te geven per les. Als je dit toepast, zal je een leerling op zijn vroegst in de derde les een brief laten schrijven. Met deze aanpak handel je weloverwogen (vriendelijk en duidelijk). Lees hier wat je doet als een leerling blijft storen als je die les al een ‘Tip‘ hebt gegeven.
- Streef ernaar om nooit meer dan twee brieven per les te laten schrijven.
Als je een leerling binnen een les meer dan één ‘Tip‘ per les geeft, bestaat de kans dat de leerling denkt dat jij speciaal op hem of haar let. Een conflict ligt dan op de loer. Ook kan de leerling er een sport van maken om jouw aandacht te trekken.
Als je meer dan twee brieven per les laat schrijven verliest de brief zijn kracht.
Component 6 – telraam
Met deze zesde component ga je pas aan de slag na de ‘Oefenperiode‘. Jij beslist in welke van de volgende periodes je het Telraam introduceert. Je verlegt dan de verantwoordelijkheid voor aandacht en inzet naar de groep. Met het Telraam beperk je het aantal Tips per groep per les. Je bent dan ‘strenger’. Advies van VOH: Begin pas het Telraam te gebruiken als gebaren, Tips en de Brief over toekomstig gedrag hun effect hebben bewezen.
- Bij frontaal lesgeven geef je met het Telraam aan wanneer het maximum aantal van twee Tips per les is bereikt. Bij een rode afbeelding weten leerlingen dat jij een van hen een brief kunt laten schrijven. Om te voorkomen dat zij deze opdracht krijgen, stoppen leerlingen doorgaans met storen.
- Bij zelfstandig werken geef je met het Telraam bij de vierde Tip binnen een les aan dat het te onrustig is om te werken en onderbreek je zelfstandig werken. Je gaat dan verder met frontaal lesgeven. Je doet dit omdat het geen zin heeft om leerlingen zelfstandig te laten werken als zij zich niet kunnen concentreren. Als de groep langer door wil gaan met zelfstandig werken, zullen zij als groep het aantal verstoringen moeten beperken. Met het Telraam help je de leerlingen zich te concentreren.
Tips die je geeft tijdens zelfstandig werken, noteer je op de lijst voor zelfstandig werken. Door met het Telraam een grens te stellen aan het aantal Tips wijs je de groep erop dat ongeconcentreerd werken niet effectief is. Je wijst je leerlingen erop dat dat zelfstandig werken een voorrecht is. Zij kunnen tijdens zelfstandig werken alvast werken aan hun huiswerk en hebben daardoor thuis meer tijd voor andere bezigheden.
4. Starten met Aansturen en Bijsturen in twee periodes
Afbeelding 88: introduceren componenten VOH
Voordat je aan de slag gaat is het raadzaam om eerst ervaring op te doen in je lessen met de afzonderlijke componenten van VOH.
Het begin van een nieuw schooljaar is een goed moment om met de eerste fase van de invoering van VOH te beginnen. Die eerste fase staat beschreven bij ‘Oefenperiode’. In die periode introduceer je de eerste vijf componenten in samenhang. De ‘Oefenperiode‘ is bestemd voor docenten die nog geen ervaring hebben met ‘Aansturen en Bijsturen’. Zowel je leerlingen als jijzelf doen dan ervaring op met het geven en administreren van Tips. Met deze administratie beperk je het aantal Tips per leerling per periode tot maximaal twee.
In een van de volgende periodes voeg je een tweede beperking van het aantal Tips toe. In die tweede fase introduceer je het zesde en laatste component: het Telraam. Begin alleen met het Telraam als je de ‘Oefenperiode‘ al achter de rug hebt. Met het Telraam voeg je (naast het aanspreken van elke leerling op inzet en gedrag per periode) een tweede beperking in. Je verlegt in die volgende periode de verantwoordelijkheid van individuele leerling naar de groep. Je beperkt het aantal Tips voor de hele groep per les:
- bij frontaal lesgeven tot twee Tips.
- bij zelfstandig werken tot vier Tips.
5. In vier situaties een leerling of de groep aanspreken op gedrag en inzet
Eerder kwamen twee werkvormen ter sprake:
- Docentgestuurd onderwijs / Frontaal lesgeven
- Leerlinggestuurd onderwijs / Zelfstandig werken
Ook kwamen twee soorten manieren van aanspreken van leerlingen aan de orde:
- Een leerling individueel aanspreken op gedrag per periode
- De groep aanspreken op gedrag per les
Als je deze twee werkvormen en deze twee manieren van aanspreken van leerlingen combineert, ontstaan er vier situaties waarbij je leerlingen aanspreekt op gedrag en inzet:
- Frontaal lesgeven – Tips tellen individueel per periode
- Zelfstandig werken – Tips tellen individueel per periode
- Frontaal lesgeven – Tips tellen per groep per les
- Zelfstandig werken – Tips tellen per groep per les
De onderstaande tabel geeft een overzicht van deze vier situaties. De tabel laat je in een oogopslag zien hoeveel Tips je maximaal geeft in vier verschillende situaties en welke stappen je na de Tips neemt.
Brief over toekomstig gedrag afgedrukt op verschillende kleuren papier
In de tabel staat een advies om in verschillende situaties een Brief over toekomstig gedrag uit te delen afgedrukt op verschillende kleuren papier.De kleurcodering helpt jou administratief en krijgt voor de leerlingen betekenis zonder verdere uitleg. Je bewaart deze brieven en later kun je een leerling herinneren aan een voornemen verwoord in de brief. Vanaf de invoering van het Telraam zie je dan aan de kleur van de brief in welke situatie een leerling de brief heeft geschreven.
- Bij frontaal lesgeven geef je de eerste leerling een op geel papier afgedrukte brief. Daarna geef je indien nodig een tweede leerling een brief afgedrukt op oranje papier (op oranje papier is de tekst beter leesbaar dan op rood papier). Bij frontaal lesgeven zie je dan aan de kleur van het papier in welke fase van de les je de Brief over toekomstig gedrag door een leerling hebt laten schrijven.
Deze kleuren zijn afgeleid van de kleuren van kaarten die een scheidsrechter uitdeelt bij voetbal (geel en rood). - Als leerlingen zelfstandig werken, geef je een leerling een Brief over toekomstig gedrag afgedrukt op wit papier.
5.1 Tabel werkvorm / aanspreken op gedrag
- In de ‘Oefenperiode‘ en tot het moment dat je het Telraam introduceert, gebruik je alleen het groene deel van de tabel.
- Vanaf het moment dat je het Telraam hebt geïntroduceerd gebruik je zowel het groene als het blauwe deel van de tabel. Je spreekt dan zowel individuele leerlingen aan op gedrag en inzet als de hele groep.
Afbeelding 100: Tips in vier situaties
6. Tijdsinverstering Aansturen en Bijsturen voor docent en leerling
‘Aansturen en Bijsturen‘ kost jou relatief weinig tijd en energie. Voor de leerling is er dit onderscheid:
- Als jij het gedrag van een leerling non-verbaal of verbaal aanstuurt, kost dit de leerling geen tijd.
- Als jij het gedrag van een leerling bijstuurt met een ‘maatregel’, kost dit een leerling wel tijd.
Omdat de maatregel een leerling tijd kost, zijn de non-verbale stap en de verbale stap effectief. Deze effectiviteit merk je pas nadat je een eerste opdracht hebt meegegeven en deze door een leerling is ingeleverd. Daarom geef je een leerling (indien nodig) in de ‘Oefenperiode’ al meteen in de eerste les een opdracht.
‘Aansturen en Bijsturen‘ gaat bij VOH in stappen en sluit aan bij het werk van Astrid Boon. Bekijk deze video waarin zij het belang van tussenstappen aangeeft.
7. Astrid Boon – Belang van orde
Als orthopedagoog was Astrid Boon zich zeer bewust van de problemen die ontstaan als een docent de orde niet kan handhaven. Astrid constateert dat docenten vaak slechts uitersten hanteren om storend gedrag aan te sturen: waarschuwen of een leerling uit de les verwijderen. Volgens haar ontbreekt daarmee een reeks effectieve tussenstappen. VOH heeft dit idee van tussenstappen uitgewerkt in de driedeling: Non-verbaal- Verbaal aansturen en Bijsturen met een maatregel. VOH geeft aan dat je als docent met deze stappen geleidelijk storend gedrag kunt afremmen. Met geleidelijk afremmen voorkom je dat je vol op de rem moet trappen en een leerling eruit stuurt. VOH adviseert om leerlingen direct kennis te laten maken met de ‘Brief over toekomstig gedrag‘ en daarna de stappen die aan de brief voorafgaan te introduceren. Zij weten dan waar aansturen toe kan leiden. Als het nodig is om in een volgende periode opnieuw bij te sturen, kies dan een alternatieve maatregelen (waaronder het reflectieverslag van Astrid Boon). In haar boeken beschrijft Astrid Boon het belang van orde en legt ze uit waarom zij aanbeveelt om haar ‘Reflectieve schrijfopdracht’ te gebruiken. Zij beschrijft hoe je een ‘Reflectieve schrijfopdracht’ opstelt. Zie bij het de pagina ‘Bijsturen‘ in deze video.
In deze video beschrijft astrid het belang van orde. Orde is zowel voor de leerling als voor de docent van groot belang.
8. Voorbeelden
In deze video vergelijken leerlingen van het Pieter Nieuwland College twee manieren waarop docenten omgaan met verstoringen:
- Een leerling uit de les sturen.
- Een leerling een ‘Brief over toekomstig gedrag’ laten schrijven. Zij spreken over een ‘reflectieverslag’. Dat was de naam die de opdracht toen had.
Hun conclusie is dat het uit de les sturen niet werkt, terwijl het schrijven van den ‘Brief over toekomstig gedrag’ wel effectief is. Om te voorkomen dat ze een brief moeten schrijven zijn ze genoodzaakt om op te letten. De discussie in deze video tussen twee leerlingen (A en B) verloopt als volgt:
A: Bij de derde Tip moet je een brief schrijven en dat is niet leuk.
B: Nee, dan moet je de volgende dag om acht uur op school zijn. Je moet dan vroeg opstaan en dat is niet leuk.
A: Ben je ook lang mee bezig. Dat zorgt er eigenlijk voor dat je genoodzaakt bent om ook gewoon op te letten.
B: Ja precies.
A: Niet als bij andere vakken: je gaat de les uit, brief je halen, daar heb je niets aan.
B: Als je eruit gestuurd bent zit je met andere kinderen en is het gewoon leuk. Maar dat mag ik eigenlijk niet zeggen.
A: Nee, eigenlijk niet.
8.1 Verkorte vorm Aansturen en Bijsturen
Karin ontvangt haar diploma op het Maerlantlyceum. Zie ook dit blog over hoe je een diploma kunt krijgen
Karin Seijdell vertelt hoe zij als docent Levensbeschouwing ‘Aansturen en Bijsturen‘ toepast.
Zij heeft zich toegelegd op helder communiceren en om deze communicatie af te ronden (met een compliment of met ‘Aansturen en Bijsturen’). Voor Karin staat voorop dat als zij uitleg geeft de leerlingen ook echt luisteren.
- Als een leerling niet luistert maakt zij het zachter gebaar met één arm. Reageert een leerling goed dan maakt zij met haar duim omhoog een compliment.
- Reageert de leerling niet goed, dan vraagt zij de leerling vooraan te komen zitten.
- Blijft de leerling ook daar storen, dan vraagt zij de leerling een Brief over toekomstig gedrag te schrijven.
Met haar aanpak slaat zij het geven van een Tip over en is in staat zonder hulp van de schoolleiding bij te sturen. Levert een leerling de brief niet in, dan zoek zij de leerling in een van haar tussenuren op en vraag (na toestemming van de docent die de leerling dan lesgeeft) deze leerling de brief in haar aanwezigheid te maken.
Het startgebaar gebruikt zij bij de techniek cold calling. Daarbij vraagt zij haar leerlingen geen vingers op te steken maar vraagt zij een leerlingen om een reactie met het gebaar Startgebaar. Weet de leerlingen het antwoord niet, dan wijst zij een andere leerling aan met daarbij de vraag of die leerling kan helpen of aanvullen.
9. Samenvatting Aansturen en Bijsturen
- Voorkom eerst dat je zelf onrust veroorzaakt (Orde Maken – Reflecteren op jouw manier van lesgeven).
- Spreek leerlingen consequent aan op gedrag en inzet en geef je professionele grens aan.
Hoe meer aandacht je beide aspecten geeft, hoe minder de noodzaak om boos te worden.
‘Aansturen en Bijsturen‘ bestaat uit deze drie stappen:
- Non-verbaal aansturen met lichaamstaal en gebaren doe je zo vaak als nodig.
- Verbaal stuur je aan met Tips die je noteert op lijsten voor frontaal lesgeven en zelfstandig werken. Als het maximum is bereikt (door individueel Tips te tellen of door per les te tellen met het Telraam) stuur je bij.
- Je stuurt bij met de Brief over toekomstig gedrag. Je zorgt ervoor dat de brief altijd wordt ingeleverd.
Met stap 1 en 2 voorkom je te vaak stap 3 moet nemen: de maatregel. Stap 1 en 2 werken als een buffer voor stap 3.
Tenslotte
Misschien krijg je de indruk dat je met ‘Aansturen en Bijsturen’ veel moet administreren. De ervaring leert dat je in het begin moet wennen aan deze manier van werken maar dat al snel het aantal verstoringen afneemt. Dan vermindert ook het aantal keren dat je iets moet noteren. Als je op een school gaat werken waar leerlingen gewend zijn aan de aanpak van VOH, dan is het voor jou eenvoudig om ook op deze manier te gaan werken.
Je krijgt in de praktijk ook goed werkende groepen waarbij ‘Aansturen en Bijsturen’ niet of nauwelijks nodig is. Als je te maken krijgt met een onrustige groep, krijg je juist door ‘Tips‘ te noteren een goede band met je leerlingen en neemt het aantal ordeverstoringen af. Je leerlingen letten dan beter op en presteren beter. Hoe mooi is het als je met elke groep waarmee je werkt een goede band krijgt?
Door vriendelijk aan te sturen en bij te sturen, krijg je een goed band met je leerlingen. Na het bespreken van een Brief over toekomstig gedrag verbetert de relatie met je leerling (omdenken).
10. Credits
Rense Houwing -Redacteur Vriendelijk Orde Houden
Rense heeft het onderscheid gemaakt tussen ‘Aansturen’ en ‘Bijsturen’. Sindsdien gebruiken we ‘Aansturen en Bijsturen’ als naam voor het hoofdstuk over orde houden. Dankzij Rense is ‘Observeren’ nu een aparte, op waarneming gerichte invalshoek van Vriendelijk Orde Houden. ‘Observeren’ gaat vooraf aan ‘Aansturen en Bijsturen’.
Astrid Boon – Orthopedagoog
Als orthopedagoog heeft Astrid op basis van talloze gesprekken met leerlingen ontdekt wat de meest effectieve maatregelen zijn om gedrag bij te sturen. Zij ontdekte dat leerlingen een opdracht die hun tijd kost serieus nemen en een ‘goed gesprek’ of ‘waarschuwen en een leerling uit de les verwijderen’ doorgaans niet. Zij schreef hierover twee boeken: ‘Straf/Regels’ en ‘Te gezellig in de les’. Zij maakte ook duidelijk dat een leerling uit de les sturen een uiterst middel is. Zij adviseerde een aantal kleinere stappen te nemen voorafgaande aan de inzet van dit uiterste middel. In samenspraak met Astrid Boon heeft VOH haar suggestie vormgegeven met ‘Aansturen en Bijsturen’ in de drie stappen. Het werkzame bestanddeel is de maatregel (de opdracht die je een leerling geeft). Zie hierboven ‘Astrid Boon – Het belang van orde‘. Zie ook ‘Alternatieve maatregelen‘ met daarbij een beschrijving van haar ‘reflectieve schrijfopdracht’ en een video over toepassing van haar aanpak op meerdere scholen.











