2.2 Kader

Een kader geeft docenten en leerlingen een richtlijn voor gedrag. Het beschrijft een na te streven ideaal. Tussen ideaal en praktijk bestaat altijd een zekere spanning. Als het kader een gezamenlijk ideaal is dat duidelijk en bondig is vastgelegd, is de kans groot dat iedereen zich eraan houdt en dat er wederzijds vertrouwen ontstaat.

Ik hang het kader (Vriendelijk + Duidelijk) voor iedereen zichtbaar aan de muur en bespreek het met mijn leerlingen. Ik houd mijzelf aan het kader en vraag aan mijn leerlingen om zich aan het kader te houden. Door vriendelijkheid met duidelijkheid te combineren, voorkom ik dat ik té vriendelijk of te vrijblijvend lesgeef (Laissez faire) én dat ik té streng lesgeef (Autoritair/niet vriendelijk).

Kinderen herkennen dat regels die het kwetsen van anderen voorkomen, morele regels zijn. Turiel definieert die regels als gerelateerd aan “rechtvaardigheid, rechten, en welzijn die voorschrijven hoe mensen met elkaar om horen te gaan”Haidt (2012)

Introductievideo

Voor meer informatie bekijk hier onze overige introductievideo’s.

Huidige aanpak:

Dit gebruik ik tot op heden als kader:

Toekomstige aanpak:

Mijn toekomstige kader ziet er als volgt uit:

Testimonial

Met VOH hoef je geen strijd meer te voeren met leerlingen.
3.22 Leerlingen weten waar ze aan toe zijn. Door de grenzen af te bakenen weten de leerlingen dat ze elkaar kunnen vertrouwen. Een relatie opbouwen heeft niet alleen te maken met vriendelijk zijn, maar ook met duidelijk zijn.

Voorbeelden van een Kader

Bonhoeffer College:
Vertrouwen, Vrijheid, Verantwoordelijkheid

Vriendelijk Orde Houden:


afbeelding 78: kader VOH

Download als dit kader als pdf

Inleiding kader

‘Kader’ is één van de drie modules van de invalshoek ‘Duidelijk’ van Vriendelijk Orde Houden (VOH).

Afbeelding 27: duidelijk (0verzicht )

Met deze module geef je jezelf en je leerlingen een richtlijn voor gedrag en daarmee maak je orde.
Een kader kun je zelf bedenken of je kunt gebruik maken van een schoolbreed kader. Een kader is de richtlijn voor jou en voor je leerlingen. Een goed gekozen kader draagt bij aan een ongestoorde les, zorgt voor wederzijds vertrouwen en maakt samenwerking mogelijk. Een schoolbreed kader heeft het voordeel dat iedereen (binnen jouw lessen en binnen de school) op dit kader aanspreekbaar is.
Je hangt het kader op en bespreekt het met je leerlingen. Het kader geeft dan een aanwijzing zowel voor jezelf als voor je leerlingen welk gedrag wel en niet aan het kader voldoet. Voldoet je eigen gedrag niet aan het kader, dan pas je dit aan. Voldoet het gedrag van je leerlingen niet aan het kader, dan stuur je dit gedrag aan- of stuur je het bij (Handelingsladder).

1 Belang van een kader

Een duidelijk kader stimuleert een positieve houding en remt een negatieve houding af. Het kader geeft aan welk gedrag wel en niet gewenst is. Een kader is eerlijk als het voor iedereen geldt, ook voor jou. Door je aan het kader te houden, geef je het goede voorbeeld aan je leerlingen. Het kader hangt voor iedereen zichtbaar aan de muur.

Het voordeel van een kader is dat je:

  • direct ziet welk gedrag wel past bij het kader (b.v. Vriendelijk en duidelijk). Wie zich er aan houdt geef je een compliment.
  • ziet wie zich niet houdt aan het kader, deze leerling stuur je aan en indien nodig stuur je bij.

Het kader is vanaf het moment dat je het aan de muur hebt gehangen fundamenteel voor jouw eigen handelen.

1.1 Starten met een kader en handelingsladder in de eerste kennismakingsperiode

Kader en Handelingsladder zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden.

  1. Als je wel een kader hebt en geen Handelingsladder, dan trekken leerlingen zich niets van het kader aan.
  2. Als je wel een Handelingsladder hebt en geen kader, dan komen jouw beslissingen bij de leerlingen over als willekeurig.

Introduceer daarom tegelijkertijd het kader én de Handelingsladder. Een kader geeft richting. Het beschrijft een ideaal waar iedereen het eigen gedrag steeds naar kan richten, toetsen en bijstellen én het geeft iedereen de gelegenheid om elkaar voor gewenst gedrag te waarderen en op ongewenst gedrag aan te spreken. Het geeft jou ook de rechtvaardiging en onderbouwing voor de manier waarop je een leerling die de les verstoort aanstuurt of bijstuurt en voor procedures die deze maatregelen borgen (Handelingsladder).

Bekijk bij de inleiding van ‘Aansturen en Bijsturen’ meer informatie over de 1e kennismakingsperiode.

Voorbereiding les 1

  • Print een aantal exemplaren van de ‘Brief over toekomstig gedrag‘ afgedrukt op geel papier.
  • Koop een klein aantekenboekje en schrijf daarop ‘Tipboek. In dat boekje schrijf je in de eerste les wie je een ‘Brief over toekomstig gedrag’ laat schrijven. (Naam en opdracht). Vanaf de tweede les schrijf je in dat boekje wie je een Tip geeft.
  • Hang de afbeelding met het Kader aan de muur.
  • Print van deze PowerPoint de twee pagina’s uit waarmee je aangeeft wat je van leerlingen verwacht (Verwachtingsmanagement).
  • In de eerste drie lessen laat je steeds een deel van de nu volgende video zien (vanaf 1 minuut is de video bestemd voor leerlingen). De Powerpoint waarmee deze video is gemaakt, kun je aanvragen via info@vriendelijkordehouden.nl. Je krijgt dan ook instructie hoe je daar je eigen stem bij op kunt nemen.

Samenvatting les 1: In de eerste les geef je een leerling die de les verstoort direct een ‘Brief over toekomstig gedrag’.

Wat doe je als een leerling protesteert tegen een brief?
Wat doe je als een leerling die je een  brief laat schrijven doorgaat met storen?

Voorbereiding les 2

  • Print voor elke klas twee klassenlijsten uit voor frontaal lesgeven en voor zelfstandig werken. Tips die je geeft tijdens zelfstandig werken noteer je direct op een klassenlijst.
  • Koop een Tipboekje. In de tweede les schrijf je tijdens frontaal lesgeven in je Tipboek wie je een Tip geeft (datum + naam).

Samenvatting les 2: In les twee laat je Tips voorafgaan aan het uitdelen van een ‘Brief over toekomstig gedrag’.

Wat doe je als een leerling na een Tip doorgaat met storen?

Voorbereiding les 3

  • Schrijf na de les de Tips die je opschreef in je Tipboek over op de betreffende klassenlijst voor frontaal lesgeven.

Samenvatting van les 3: In les drie stuur je een leerling die de les verstoort eerst aan met gebaren, dan met Tips en (pas als een leerling al twee Tips kreeg) stuur je bij met de ‘Brief over toekomstig gedrag’.

Voorbereiding les 4

Vanaf deze les streef je ernaar om per leerling per les maar een Tip te geven.

Instructievideo

Nu volgt een instructievideo waarvan het eerste deel alleen bestemd is voor de docent. Daarna volgen drie korte delen van elk twee minuten, die je in de eerste drie lessen aan je leerlingen laat zien. Ook kun je deze uitleg zelf geven. Met deze video maak je duidelijk hoe je elke leerling aanspreekt op gedrag en inzet.

Hoe ga je verder na de 1e kennismakingsperiode?

Bij deze link lees je hoe je in de 2e kennismakingsperiode de groep aanspreekt op gedrag en inzet.

2 Valkuil als kader ontbreekt

Wat zijn de consequenties als je met een groep geen kader of een te eenzijdig kader afspreekt?

  • Als er geen kader is afgesproken, is het voor leerlingen mogelijk elkaar onvriendelijk en onduidelijk te benaderen. Als dat gebeurt, en als jij dan niet ingrijpt, is de kans groot dat leerlingen elkaar buitensluiten.
  • Leerlingen die elkaar onvriendelijk behandelen, mijden elkaar en werken niet meer samen.
  • Als jij een leerling onvriendelijk behandelt, verbreek je het contact. Zowel de leerling als jij zoeken daarna geen toenadering. De relatie is verbroken.
  • Bij veel scholen hangt er aan de muur een lijst met schoolregels. Een schoolregel kan betuttelend overkomen en daarom juist overtreding van de regel uitlokken. Als het kader kort en bondig is én algemeen geldend, dan is het voldoende om alleen deze bondige formulering op affiches te tonen in de school.
  • Een valkuil is dat je een kader creëert waar maar één principe aan ten grondslag ligt. Dit brengt gevaren met zich mee:
    Hij (David Hume) zag ook een diversiteit van deugden en hij wees pogingen van sommigen van zijn tijdgenoten af om moraliteit te reduceren tot één enkele deugd zoals ‘Vriendelijkheid”, of om alle deugden weg te doen en ze te vervangen door een paar morele wetten.Haidt (2012), Jonathan
  • Een valkuil is dat je je eigen kader gebruikt als leidend. Als dit een te persoonlijk kader is, keur je al snel andere kaders af. Dit komt naar voren in het volgende citaat: Turiel, daarentegen, definieerde moraliteit als “rechtvaardigheid, rechten en welzijn”. Maar elke poging om moraliteit te definiëren door een paar zaken aan te wijzen als de werkelijk morele zaken en de rest af te doen als “sociale conventie” is gedoemd parochiaal te zijn. Het is een morele gemeenschap die zegt: “Dit zijn onze centrale waarden, en wij definiëren moraliteit als iets wat over onze centrale waarden gaat; naar de hel met de rest van jullie.Wanneer je één duidelijk principe hebt, kun je beginnen met oordelen over verschillende culturen. Sommige culturen krijgen een hogere score dan andere, wat betekent dat ze moreel superieur zijn. Dat binden gaat meestal gepaard met enige verblinding – als een persoon, boek of principe eenmaal heilig is verklaard, dan kunnen de aanhangers het niet meer in twijfel trekken of er helder over nadenken“. (Haidt (2012).
  • Een te eenzijdige keuze voor vriendelijkheid, of juist een te eenzijdige keuze duidelijkheid. Precies deze valkuil komt naar voren in de tekenfilm van Vriendelijk Orde Houden. Docent Koen beperkt zich in deze film tot alleen (té) vriendelijk. De andere docent in deze tekenfilm, Inge, beperkt zich tot té duidelijk (streng).
  • Zonder kader is er ruimte om elkaar in de weg te zitten. De onrust en de verwijdering die daardoor ontstaat, zul je moeten aan- en bijsturen om ervoor te zorgen dat er een krachtige leeromgeving blijft bestaan. Je beslist dan bij elk incident ter plekke hoe en welk gedrag je corrigeert. Jouw beslissingen zijn daardoor in de ogen van leerlingen willekeurig. Conflicten liggen dan op de loer.
  • Stress legt de prefrontale cortex plat. Als er stress is zegt het lichaam: je moet iets doen om uit die stress te komen. Vervolgens zorgt het lichaam ervoor dat je niet aan leren toekomt. Die gaat rotzooi schoppen om niet aan leren toe te komen. Besteed daarom de eerste drie weken om ervoor te zorgen dat iedereen positief is naar elkaar en dat men elkaar niet uitlacht bij fouten. Juist van fouten kunt je leren.” Harold Bekkering – Neuropsycholoog in een podcast van de correspondent.
    N.B. Uitlachen is niet vriendelijk. Wil je uitlachen laten stoppen, geef dan een Tip.

3 Toelichting kader

Ik definieer moraliteit met wat het doet, liever dan te specificeren welke handelingen gelden als moreel” Haidt (2012).

Aan wat iets doet, gaat wat iets beoogd vooraf. Die twee zijn onscheidbaar. Wat beoogt en bereikt VOH?

De communicatie tussen leerlingen onderling en tussen leerling en docent verloopt in harmonie en is vrij van conflict. Iedereen (ook de docent) komt toe aan werkelijk leren vanuit intrinsieke motivatie.
Zie ook het doel van VOH op de homepage.

3.1 Jouw verantwoordelijkheid bij een kader

Een goed kader maakt iedereen duidelijk wat wel mag en maakt impliciet duidelijk wat niet mag.

  • Het is jouw verantwoordelijkheid om het kader te introduceren, toe te lichten en te tonen in je gedrag (Toon gewenst gedrag).
  • Ook is het jouw verantwoording het kader te bewaken (Aansturen en bijsturen).
  • Door het gedrag van leerlingen te observeren en te kijken hoe hun gedrag zich verhoudt tot het kader, zie je direct welk gedrag je wel of niet moet aan- of bijsturen.

Een goed kader brengt iets teweeg waarvan iedereen direct het nut inziet. Daarom houden de meeste leerlingen zich eraan en begrijpt iedereen waarom je gedrag van een leerling die de les verstoort aan- of bijstuurt.

Wie afwijkt van het kader is hier in eerste instantie zelf verantwoordelijkheid voor. Bij afwijkend gedrag is niet ingrijpen geen optie; een onbewaakt kader is ongeloofwaardig. Een kader gaat samen met het bewaken daarvan. Het bewaken van het kader is een belangrijke rol van jou als docent of leerkracht.

3.2 Een kader vraagt de leerlingen af te zien van storend gedrag

De ervaring is dat de meeste leerlingen zich houden aan het kader. Een klein aantal leerlingen gaat een machtsstrijd aan.

Afbeelding 10: de meeste leerlingen nemen jouw gedrag over

In het boek “Nietsche en Kant lezen de krant” Wijnbergen (2011) gaat Wijnbergen in op de door Nietzsche benoemde altijd aanwezige machtsstrijd. In zijn boek spreekt Wijnbergen over ‘drie rechten om anderen te kwetsen’. VOH beschouwt het als een kunst om niet aan deze machtsstrijd deel te nemen. Na het introduceren en uitleggen van het kader is de impliciete boodschap: ‘Graag deze vormen van gedrag vermijden’.

Nu volgen drie vormen van gedrag waarmee leerlingen de les kunnen verstoren, die staan genoemd in het boek van Wijnbergen. Steeds is een positief alternatief toegevoegd.

  1. Anderen beledigen
    Op school krijg ik de kans mijn eigen leven vorm te geven als ik mij houd aan twee eenvoudige aanwijzingen: vriendelijk en duidelijk. Om mijn eigen leven ongestoord vorm te kunnen geven, zie ik ervan af anderen te beledigen.
  2. Handelen zonder inmenging van anderen.
    Op school leer ik samenwerken. Dit vraagt van mij de bereidheid om mij aan te passen aan wensen van anderen.
    Toelichting: Er zijn leerlingen die, op vaak goede gronden, het onderwijs onzin vinden en die zich niet willen laten aan- en bijsturen. Voor deze leerlingen is het belangrijk in te zien dat een school er juist voor is bedoeld om elkaar aan- en bij te sturen. Dit punt maakt deze afwerende houding van bepaalde leerlingen bespreekbaar.
  3. Ingaan tegen het bestaande kader.
    Mijn school heeft een kader opgesteld waardoor iedereen meetelt. Het stelt ons in staat samen te werken, onze talenten te ontwikkelen en onze eigenheid te ontdekken. Om dit mogelijk te maken, houd ik mij aan het gestelde kader.

Volgens VOH is het de kunst om niet in deze machtsstrijd betrokken te raken, en bij een verstoring deze steeds op een vriendelijke manier op te lossen.

N.B. Deze opsomming is uitsluitend voor jou bedoelt als een aandachtspunt bij het bewaken van het kader. Je benoemt deze punten niet. Zou jij dat wel doen dan verbind je je met negativiteit.

Als je merkt dat een leerling ondanks het kader toch anderen beledigt, handelt zonder inmenging van anderen of ingaat tegen het bestaande kader, volstaat het om een Tip te geven. ‘Graag vriendelijk’ of ‘Graag aan het werk’. Met het geven van een positief geformuleerde Tip houd jij je aan het kader (Vriendelijk + duidelijk). Een verstoring van de les (die niet past binnen het kader), stuur je eerst aan- en als dat niet helpt stuur je bij. Zo bewaak je het door jou ingestelde kader op een vriendelijke en duidelijke manier.

Je versterkt dit effect als je je leerlingen vraagt om mee te helpen het kader te bewaken en elkaar onderling aan te spreken bij gedrag dat niet past bij het kader. Als leerlingen zich onderling laten aanspreken, dan handelen zij met inmenging van anderen en dat is precies wat je wilt. Dit sluit aan bij het onderwijsdoel Socialisatie.

3.3 Waarom houden leerlingen rekening met het kader?

Leerlingen houden zich aan het kader omdat:

  • ze zien dat jij efficiënt bijstuurt.
  • jij rustig blijft tijdens het bijsturen en boosheid weglaat.
  • ze geen tijd willen verliezen aan het maken van een ‘Brief over toekomstig gedrag’.
  • ze geen zin hebben om inhoudelijk over hun storende gedrag te schrijven en suggesties te doen voor verbetering van hun gedrag en dit daarna ook nog met jou te bespreken (Brief over toekomstig gedrag).
  • ze weten dat ze de brief echt moet schrijven en deze bij jou of bij de leiding moeten inleveren.
  • een leerling die een brief krijgt zal de omvang ervan overdrijft tegenover klasgenoten. Daarom vermijden andere leerlingen het krijgen van een brief en houden zij zich aan het kader.
  • ze zien dat aan het geven van een brief voorspelbare stappen voorafgaan en omdat dat er bij het uitdelen van een opdracht geen sprake is van willekeur. Door deze voorspelbaarheid ontstaat rust en duidelijkheid.
  • ze zien dat jij de brief zonder rancune en slechts zelden uitdeelt.
  • ze merken dat een leerling die een brief schrijft en inlevert daarna goed meedoet.
  • ze merken dat het gedrag van degene die de brief schreef en inleverde verbetert waardoor iedereen zich beter kan concentreren.

3.4 Kader en autoriteit

Als leerlingen het nut van een kader inzien, verlangen zij van jou dat jij het kader bewaakt onder de voorwaarde dat jij je er ook aan houdt. Plaats je jezelf buiten het kader, dan maak je het kader ongeloofwaardig en zullen jouw leerlingen jou het recht om het kader te handhaven betwisten.

Leerlingen die de school als vrijheidsbeperkend ervaren zullen ondanks jouw goede bedoelingen jouw autoriteit betwisten. VOH adviseert een positieve leeromgeving te creëren en die te bewaken met de Handelingsladder. Juist bij drukke klassen kan het werken met aan- en bijsturen op de manier van VOH voor protest zorgen. Een verklaring hiervoor is dat bij drukke klassen leerlingen gewend zijn om docenten als marionet kwaad te maken, zijn zien het als een ‘recht’ om docenten uit hun evenwicht te kunnen brengen. Juist bij die klassen is het belangrijk dat je alle componenten van ‘Aansturen en Bijsturen’ in twee periodes invoert. Begin je direct met alle componenten, dan ben je direct veel te streng. De klas moet dan geleidelijk wennen aan het inperken van de mogelijkheid jou kwaad te maken.

Als jij met het instellen van een kader, het tonen van gedrag dat erbij past en met het bewaken ervan, je niet meer kwaad laat maken en je niet meer als marionet aan laat sturen, zullen je leerlingen zoeken de zwakke plekken van de nieuwe aanpak. Geduld en volhouden is hier het devies. Op den duur verkrijg je met de aanpak van VOH gezag, je dwingt gezag niet af in één les.

3.5 Wie neemt het initiatief voor het introduceren van een kader?

Je kunt een  kader op eigen initiatief introduceren. Ook kan de school hierbij het initiatief nemen.

  1. Als jij vindt dat de school geen duidelijk kader heeft (maar wel een knellend woud van regels), stel dan zelf een kader op. Met jouw kader verwoord je dan de richting die jij als docent op wilt. Voordat jij jouw kader inzet in je lessen bespreek je het met jouw leerlingen. Als het in jouw praktijk goed werkt, bestaat de kans dat andere docenten het overnemen.
  2. Doorgaans heeft een school een kader. De schoolleiding formuleert met het team een kader en geeft aanwijzingen over de bewaking ervan. Het kader bepaalt dan voor de hele school de manier van omgaan met elkaar. Aan het begin van het jaar presenteren alle docenten dit kader aan de leerlingen en bespreken zij dit met hen. De leidinggevenden ondersteunen docenten als een leerling zich niet door een docent laat bijsturen.

Verder lezen

  1. Als je begonnen bent met lezen over ‘Aansturen en bijsturen’, lees dan verder bij Inleiding aansturen en bijsturen
  2. Wanneer je bent begonnen met lezen op deze pagina over het kader, lees dan hieronder verder.

4 Reikwijdte van een kader

Wat is het bereik van een kader? Geldt het alleen in de klas, op de hele school en op de werkwerken?

4.1 Schoolbreed

Een kader geldt voor iedereen; net zo goed voor jezelf als voor de leerlingen. Het is het ijkpunt en de toetssteen voor al het gedrag van elke leerling én je eigen gedrag. Als het schoolbreed is ingesteld, geeft het kader zowel richting aan het gedrag van leerlingen als aan het gedrag van het team, de schoolleiding en het onderwijsondersteunend personeel.

4.2 In de klas, maar ook daarbuiten

Een kader geldt in alle situaties waarin jij je met de leerlingen bevindt. Dat is wel even iets om bij stil te staan. Als jij met je leerlingen een kader afspreekt, dan geldt dat tussen jullie overal waar je volgens en namens de school verantwoordelijk bent voor de instandhouding van een leerklimaat. Daar verwacht de school immers dat jij het kader handhaaft.

Dat is natuurlijk tijdens jouw les en in jouw lokaal, maar ook bij ontmoetingen in de aula en de gangen, tijdens contact bij projecten en voorstellingen en excursies, bezoek aan schooltuinen en musea of tijdens een werkweek. Deze brede inzetbaarheid van het kader maakt duidelijk dat je een kader het beste schoolbreed kunt instellen. Dan dragen alle collega’s hun steentje bij en kunnen zij elkaar en de leerlingen hierop aanspreken. Samen  versterken zij het effect van het kader.

4.3 Werkweken

Ook als het kader niet schoolbreed is vastgesteld, kun je je eigen kader (je ‘morele contract’ met je leerlingen) buiten je eigen les en klaslokaal overeind houden. Daarmee:

  • voorkom je dat leerlingen zich buiten je les en lokaal buiten het kader plaatsen en zich met rechtvaardiging gaan misdragen. Dat is iets wat bij de afwezigheid van een kader tijdens een werkweek kan gebeuren.
  • voorkom je dat er bij je leerlingen het beeld ontstaat dat het kader slechts een betrekkelijke, beperkte waarde en werkelijkheid heeft, waardoor de de werkzaamheid van het kader ook binnen je les en lokaal vermindert.
  • helpt het kader je om ook buiten je eigen les en lokaal het gedrag van je leerlingen in positieve zin te beïnvloeden. Lukt dat niet, dan schort er iets aan de formulering van het kader.
  • daarom is het nodig dat een kader ‘vanzelfsprekende aanvaardbaarheid’ is. Dan is het kader ook een duidelijke aanwijzing bij het ‘Aansturen en Bijsturen’ van gedrag en inzet van leerlingen die niet in jouw klas zitten. Zelfs al zou een leerling die jij niet in de klas hebt het kader voor het eerst horen, dan nog zou het kader direct een appèl moeten doen op gewenst gedrag.

Kortom, het is van groot belang dat je met je leerlingen afspreekt dat het kader overal geldt waar jullie onder schoolverantwoordelijkheid bij elkaar zijn.

5 Een kader voor iedereen?

Bij het opstellen van een kader zoek je naar aanwijzingen met een algemene strekking.

5.1 Kader voor leerlingen én docent

Bij het opstellen van een kader houd je rekening met de algemene geldigheid ervan. Het geldt zowel voor de leerlingen als voor jou.

5.2 Kader alleen voor leerlingen

Als het kader alleen bestemd is voor leerlingen en niet voor de docent, schiet het kader zijn doel voorbij.

In zijn boek Lessen in orde bespreekt Teitler ook het gebruik van een kader (Teitler 2017). Hij schrijft daarover het volgende:

Houd daarbij in je achterhoofd een kader waaraan je het gedrag van leerlingen altijd kunt toetsen: Zó wil ik dat er gewerkt wordt: Optimaal en Ongestoord. Zó wil ik dat we omgaan met elkaar en het materiaal: Veilig, Vriendelijk en Verantwoordelijk.”

Zijn gebruik van de term kader wijkt in enkele belangrijke opzichten af van de manier waarop VOH ermee werkt. Ten eerste benoemt hij het als iets wat in het achterhoofd van de docent blijft. Ten tweede: Bij de manier waarop hij docenten aanraadt aan- en bij te sturen, ontbreekt de zelfregulerende werking van het kader dat altijd zichtbaar aan de muur hangt.

Moreel contract

Hij benoemt zijn kader ook als iets waaraan de docent het gedrag van leerlingen kan toetsen. Dat is op zichzelf prima, maar zo kan het gedrag van de docent buiten schot blijven. De kracht van het expliciet gemaakte kader is nou juist dat het werkt als een moreel contract tussen alle betrokkenen: tussen leerlingen onderling en tussen leerlingen en docent (vanuit de leerlingen gezien) en tussen docent en leerlingen (vanuit de docent gezien). Die wederkerigheid, die ‘eerlijkheid’, is een  sterk, vertrouwenwekkend en scheppend aspect.

6 Kader in primair en voortgezet onderwijs

Primair onderwijs

In het primair onderwijs is het waardevol om jouw – of het bestaande schoolbrede kader – te vertalen naar concreet gedrag met de leerlingen. Als de leerlingen deze positief geformuleerde klassenregels zelf hebben gemaakt, is de kans groter dat ze zich ernaar gedragen en zijn ze gemakkelijker aan te spreken op gedrag of inzet. In de loop van het schooljaar kun je in overleg met de groep naar behoefte elementen aan deze lijst toevoegen.

Voortgezet onderwijs

Aan een schoolbreed kader kun je een vakspecifieke vertaling toevoegen. Bespreek aan het begin van het schooljaar met je leerlingen welke houding je van hen vraagt bij jouw vak en waarom dat belangrijk voor hen is. Als er in de loop van het jaar een nieuw type verstoring ontstaat dat je graag zou zien verdwijnen, bespreek dat type verstoring dan met de groep. Je sluit dit gesprek af met een positief geformuleerde Tip die vanaf dat moment gaat gebruiken als de verstoring zich herhaalt.

7 Kader in historisch perspectief

Het is belangrijk dat iedereen profiteert van het kader. Een andere naam voor kader is imperatief. Het woord imperatief kennen we bij taal als de gebiedende wijs. Een andere naam voor een kader is een zedelijk gebod. De filosoof Kant noemt aanwijzingen voor gedrag van algemene strekking een categorisch imperatief. Een impera­tief is categorisch als het onvoorwaardelijk en onder alle mogelijke omstandigheden voor iedereen van kracht is.

[Kant] merkt op dat een goede theorie over opvoeding een prachtig ideaal is, en dat het helemaal niet erg is wanneer we niet direct in staat zijn dat ideaal te realiseren. Je moet de idee erachter dan niet meteen als een hersenschim beschouwen, of als een mooie maar niet te verwezenlijken droom, juist als er allerlei hindernissen (in jezelf of van buitenaf) bij de uitvoering ervan optreden. En dan zegt hij: ‘Een idee is niets anders dan een begrip van een volkomenheid die in de ervaringswerkelijkheid nog niet wordt gevonden, bijvoorbeeld een volkomen volgens regels van de rechtvaardigheid geregeerde republiek! Maar is die daarom onmogelijk?’ In ieder geval is het zaak je idee helder te krijgen, om dan zo mogelijk de hindernissen uit de weg te ruimen.”  Visser (2017)

7.1 Aanwijzingen voor het opstellen van een kader

Immanuel Kant bedacht een aantal termen die te maken hebben met het kader. Die termen staan hieronder dikgedrukt.

  • Een aanwijzing voor gedrag valt niet onder een kader als het een persoonlijke stelregel is. Een ander woord voor persoonlijke stelregel is maxime
  • Een aanwijzing voor gedrag die niet altijd of slechts onder bepaalde voorwaarden geldt, kan niet gebruikt worden voor een kader. Een ander woord voor een regel die slechts onder bepaalde voorwaarden geldt is een hypothetisch imperatief.

Het is de kunst om een kader te formuleren en dat voor iedereen te laten gelden en altijd te laten gelden (categorisch imperatief). Een kader waarmee je het mogelijk maakt van een (onrustige) groep een hechte groep te maken waarbij iedereen welkom is.

8 Ethisch handelen

Als je ziet dat jouw leerlingen in het leven verstandige keuzes maken en dat ze hun verantwoording nemen in de maatschappij dan stemt dat tot tevredenheid. Welke rol speel jij bij het handelen van je leerlingen? Hoe zet je leerlingen aan tot ethisch handelen?

  1. Een eerste aanzet is het maken van een kader. Het kader beïnvloed de manier waarop leerlingen zich in jouw lessen en in school gedragen. Je hoopt dan dat zij zich ook na hun schooltijd op de manier van het kader blijven gedragen.
  2.  Door de manier waarop jij lesgeeft, ben jij een voorbeeld voor je leerlingen.
  3. Niet alleen jouw voorbeeld is bepalend: “Alleen als je zelf iets goed vindt, zul je het doen” Wijnbergen (2011), Rob. ‘Je’ betreft in deze uitspraak zowel de leerling als de leraar.
  4. Met Leerlinggestuurd onderwijs geeft je leerlingen geleidelijk steeds meer eigenaarschap over hun eigen handelen. Dit is bepalend voor hun identiteit: Waarom ik handel is wie ik ben (Kant).

9 Samenvatting kader

Een kader geeft richting aan gedrag. Zowel aan gedrag van jezelf als aan dat van je leerlingen. Jij toont gedrag dat past bij het kader en geeft daarmee het goede voorbeeld. Vervolgens profiteer je van het feit dat leerlingen jouw gedrag overnemen. Als jij je gedraagt op een manier die past bij het kader, zie je dat als vanzelf terug in het gedrag van je leerlingen. Bovendien geeft jouw voorbeeldfunctie jou het recht om een leerling die gedrag vertoont dat niet past bij het kader aan te sturen en indien nodig bij te sturen. De ervaring leert dat leerlingen zich moeiteloos schikken in een gemeenschappelijk kader, mits dat kader iedereen voordelen biedt. Dit effect versterkt een school als ook de leidinggevenden dit kader laten zien in eigen gedrag en het kader bewaken.

  • Stel in een les gebeurt iets onverwachts dat de les verstoort. Als je wilt dat je leerlingen dit voortaan achterwege laten, wees daar dan duidelijk over. Maak aan het begin van de volgende les je leerlingen duidelijk wat voortaan niet meer de bedoeling is en leg uit hoe dat voortvloeit uit het kader. Voortaan geef je, als dezelfde verstoring zich weer voordoet, een Tip.
  • De formulering van jouw kader kan woorden bevatten waarvan niet alle leerlingen weten wat ze precies betekenen. Je kunt goede redenen hebben om die woorden toch te willen gebruiken, maar je zult die betekenissen dan wel goed moeten uitleggen bij de introductie ervan. Als je gedrag benoemt, zoek dan naar concrete aanknopingspunten met de termen die deel uitmaken van het kader.
  • Formuleer je kader positief. Gebruik bij het opstellen uitsluitend positieve steekwoorden. Negatief geformuleerde regels brengen leerlingen op verkeerde gedachten: Blijkbaar zijn er leerlingen die deze regels overtreden, anders waren ze niet nodig.