2.2 Kader

Een kader geeft richting aan gedrag van zowel docent als leerlingen en maakt duidelijk wat gewenst is. 

Ik hang het kader (Vriendelijk + Duidelijk) voor iedereen zichtbaar aan de muur en bespreek het met mijn leerlingen. Ik houd mijzelf aan het kader en vraag aan mijn leerlingen om zich daar ook aan te houden. Ik combineer vriendelijkheid met duidelijkheid. Daarmee voorkom ik dat ik té vriendelijk/vrijblijvend lesgeef (Laissez faire) of dat ik té streng lesgeef (Autoritair/niet vriendelijk).

Kinderen herkennen dat regels die het kwetsen van anderen voorkomen, morele regels zijn. Turiel definieert die regels als gerelateerd aan “rechtvaardigheid, rechten, en welzijn die voorschrijven hoe mensen met elkaar om horen te gaan”. Haidt (2012)

Introductievideo

Voor meer informatie bekijk hier onze overige introductievideo’s.

Huidige aanpak:

Dit gebruik ik tot op heden als kader:

Toekomstige aanpak

Mijn toekomstige kader ziet er als volgt uit:

Inleiding

Kader’ is één van de drie modules van de invalshoek ‘Duidelijk’ van Vriendelijk Orde Houden (VOH).

Afbeelding 27: VOH invalshoek Duidelijk (overzicht)

Een kader is een gezamenlijk, zichtbaar en wederkerig uitgangspunt voor gedrag, dat richting geeft én houvast biedt bij het aan- en bijsturen. VOH kiest voor als kader:  Vriendelijk + Duidelijk.


Afbeelding 117: Kader – Aansturen en Bijsturen (overzicht)

1. Wat is een kader?

Een kader geeft aanwijzingen voor gedrag van zowel leerlingen als docent. Met een kader zorg je voor een ongestoorde les.

Moreel contract

Een kader werkt als een moreel contract tussen alle betrokkenen: tussen leerlingen onderling en tussen leerlingen en docent. Die wederkerigheid, die eerlijkheid, is een  sterk, vertrouwenwekkend en scheppend aspect.

2. Waarom een kader werkt

Waarom heeft een goed gekozen kader een positief effect op leerlingen?

  1. Het kader brengt iets teweeg waar iedereen direct het nut van inziet.
    Alleen als je zelf iets goed vindt, zul je het doen” Wijnbergen (2011), Rob.
  2. Het kader maakt impliciet duidelijk wat niet mag.
  3. Het kader werkt als een moreel contract. Iedereen is individueel verantwoordelijk zich aan het kader te houden en is op hierop aanspreekbaar.
  4. Door het kader weten leerlingen wat je van hun verwacht en kunnen ze daaraan voldoen. Je reageert op een voorspelbare manier als een leerling zich niet houdt aan het kader (Aansturen en Bijsturen).
  5. Omdat jij efficiënt aan- en bijstuurt, zijn leerlingen steeds minder geneigd de les te verstoren.

Stephanie, docent Nederlands op het Pieter Nieuwland College, aan het woord. Zij heeft de Cursus Vriendelijk Orde Houden gevolgd én een Diploma Vriendelijk Orde Houden ontvangen. Zij geeft aan dat iedereen baat heeft bij een kader.

3. Hoe je een kader opstelt en bewaakt

Waaraan moet een kader voldoen? Hoe stel je een kader op en hoe bewaak je een kader?

3.1 Opstellen van een kader

  1. De formulering van een kader kan woorden bevatten waarvan niet alle leerlingen weten wat ze precies betekenen. Je kunt goede redenen hebben om die woorden toch te willen gebruiken, maar leg dan de betekenissen van die woorden goed uit bij het introduceren.
  2. Formuleer je kader positief. Gebruik bij het opstellen uitsluitend positieve steekwoorden. Een negatief geformuleerd kader zet leerlingen op een verkeerd spoor.
  3. Alleen een altijd geldende regel is geschikt voor een kader:
    Immanuel Kant onderscheidt:

    • Een persoonlijke regel valt niet onder een kader als deze alleen voor jou persoonlijke geldt (maxime).
    • Een situatie-afhankelijke regel (hypothetisch imperatief).
    • Een altijd geldende regel (categorisch imperatief). 

3.2 Een kader bewaken

Hoe bewaak je een kader? Een aantal leerlingen zal testen of je het kader bewaakt. Ook al toon je een vriendelijke houding, leerlingen die de school in het algemeen als vrijheidsbeperkend ervaren zullen ondanks jouw goede bedoelingen jouw autoriteit betwisten.

Afbeelding 10: De meeste leerlingen nemen jouw gedrag over

Als je je bij het bewaken van het kader niet meer kwaad maakt, is er voor leerlingen geen aanleiding meer om een zwakke plek te zoeken in jouw manier van aan- en bijsturen.

Geduld en volhouden is hier het devies. Als je leerlingen consequent aanspreekt op gedrag en inzet, zul je na verloop van tijd gezag verwerven. Wil je gezag in de eerste les afdwingen dan lijkt het onvermijdelijk dat je je kwaad moet maken. Bij ‘Oefenperiode‘ lees je hoe je dat voorkomt. Daar staat beschreven hoe je in drie lessen leerlingen laat kennismaken met aan ‘Aansturen en Bijsturen‘.

4. Rol van de docent

Je bepaalt het kader (of herhaalt het schoolbrede kader) en bepaalt hoe iedereen daarmee omgaat. Daarvoor:

  • introduceert je het kader, licht je het toe en stel je het vast (Oefenperiode)
  • toont je het kader in je gedrag  (Toon gewenst gedrag).
  • kijk je hoe het gedrag van je leerlingen zich verhoudt tot het kader (Observeren).
  • spreek je een leerling die zich niet houdt aan het kader aan op gedrag of inzet (Aansturen en Bijsturen).

5. Reikwijdte van een kader

Waar is het kader geldig? Geldt het alleen in de klas? Geldt het op de hele school? Geldt het ook tijdens werkweken?

5.1 Eigen kader

Als je kiest voor een eigen kader (naast het kader dat schoolbreed is vastgesteld), kun je je eigen kader ook buiten je eigen les en klaslokaal laten gelden. Je laat leerlingen zien dat je jouw kader overal bewaakt, waar jullie onder schoolverantwoordelijkheid ook bij elkaar zijn.

Als je zelf een kader opstelt, geldt in alle situaties waarin je je met de leerlingen bevindt. Het geldt overal waar je volgens en namens de school verantwoordelijk voor je leerlingen. Dat is natuurlijk tijdens jouw les en in jouw lokaal, maar ook bij ontmoetingen in de aula en de gangen, tijdens contact bij projecten en voorstellingen en excursies, bezoek aan schooltuinen en musea en ook tijdens werkweken.

Zelfs een leerling die je niet in de klas hebt zou je jouw kader direct moeten kunnen aanspreken op gedrag of inzet.

5.2 Schoolbreed kader

Het heeft voordelen een kader schoolbreed in te stellen. Alle collega’s kunnen elkaar en de leerlingen hierop aanspreken. Samen  versterken zij het effect van het kader. Het kader is dan ook van toepassing op onderwijsondersteunend personeel en de schoolleiding.

6. Kader in primair en voortgezet onderwijs

In het PO ga je op een andere manier om met regels/kader dan in het VO.

Primair onderwijs

In het primair onderwijs is het waardevol om jouw – of het bestaande schoolbrede kader  – te vertalen naar concreet gedrag met de leerlingen. Als de leerlingen een positief geformuleerd kader zelf maken, is de kans groter dat ze zich ernaar gedragen en zijn ze gemakkelijker op aan te spreken op gedrag of inzet. In de loop van het schooljaar kun je in overleg met de groep naar behoefte elementen aan het kader toevoegen.

Voortgezet onderwijs

Aan een schoolbreed kader kun je een vakspecifieke vertaling toevoegen. Bespreek aan het begin van het schooljaar met je leerlingen welke houding je van hen vraagt bij jouw vak en waarom dat belangrijk voor hen is. Als er in de loop van het jaar een nieuw type verstoring ontstaat dat je graag zou zien verdwijnen, bespreek dat type verstoring dan met de groep. Je sluit dit gesprek af met een positief geformuleerde Tip die vanaf dat moment gaat gebruiken als de verstoring zich herhaalt.

7. Valkuilen

Pas op voor de volgende valkuilen:

  1. Geen kader hanteren → Onrust en willekeur

    Als je  niet ingrijpt bij onrust en willekeur, is de kans groot dat leerlingen elkaar buitensluiten. Leerlingen die elkaar onvriendelijk behandelen, mijden elkaar en werken niet meer samen. Zonder kader is er ruimte om elkaar in de weg te zitten.

  2. Te vriendelijk het kader bewaken → Geen grenzen

  3. Te streng bewaken → Geen relatie

    Als jij een leerling onvriendelijk behandelt, verbreek je het contact. Zowel de leerling als jij zoeken daarna geen toenadering. De relatie is verbroken.

  4. Niet consequent bewaken van het kader → Geen geloofwaardigheid

  5. Een te lang kader → Lokt overtredingen uit

    Bij veel scholen hangt er aan de muur een lange lijst met schoolregels. Een schoolregel kan betuttelend overkomen en daarom juist overtreding van de regel uitlokken. Toon in plaats daarvan een kort en bondig algemeen geldend kader op affiches in school.

  6. Te eenzijdig kader → Snel oordelen over anderen

    Hij (David Hume) zag ook een diversiteit van deugden en hij wees pogingen van sommigen van zijn tijdgenoten af om moraliteit te reduceren tot één enkele deugd zoals ‘Vriendelijkheid”, of om alle deugden weg te doen en ze te vervangen door een paar morele wetten.” Haidt (2012), Jonathan

8. Voorbeelden kader

afbeelding 78: kader Vriendelijk Orde Houden

Download als dit kader als pdf

  • Bonhoeffer College:
    Vertrouwen, Vrijheid, Verantwoordelijkheid
  • in 1572 werd de Acte van verlating ondertekend en voerden de rebellen onder leiding van Willem van Oranje strijd tegen de overheersing van de Spanjaarden. De Nederlandse identiteit en waarden die bevochten werden gaan in de vorm van 4 V’s: Vrijheid, Verdraagzaamheid, Verbondenheid, Verscheidenheid. Deze waarden blijken nog steeds actueel en relevant om voor te strijden.
  • Ashoka’s verordeningen proclameerden boeddhistische beginselen: oprecht gedrag, vreedzaamheid, vroomheid, religieuze tolerantie, ontzag voor ouders en leraren, beleefdheid, menslievendheid, zelfbeheersing en gelijkmoedigheid. Een goed leven, zeiden de zuilen, bestond uit ‘weinig slechte daden en veel goede daden van vriendelijkheid, vrijgevigheid, eerlijkheid en zuiverheid”. Morris (2007)

9. Samenvatting

Een kader geeft richting aan gedrag, zowel aan gedrag van jezelf als aan dat van leerlingen. Een kader draagt bij aan een ongestoorde les. Je toont gedrag dat past bij het kader en geeft daarmee het goede voorbeeld. Leerlingen nemen jouw voorbeeld over. Als jij je aan het kader houdt, heb je het recht om een leerling waarvan het gedrag niet past bij het kader aan te sturen en indien nodig bij te sturen. De ervaring leert dat leerlingen zich moeiteloos schikken in een goed gekozen gemeenschappelijk kader. Dit effect versterkt een school als ook onderwijs ondersteunend personeel en de leiding het gekozen kader laten zien in eigen gedrag en het kader bewaken.

  • Stress legt de prefrontale cortex plat. Als er stress is zegt het lichaam: je moet iets doen om uit die stress te komen. Vervolgens zorgt het lichaam ervoor dat je niet aan leren toekomt. Die gaat rotzooi schoppen om niet aan leren toe te komen. Besteed daarom de eerste drie weken om ervoor te zorgen dat iedereen positief is naar elkaar en dat men elkaar niet uitlacht bij fouten. Juist van fouten kunt je leren.” Harold Bekkering – Neuropsycholoog in een podcast van de correspondent (Reguleer je emotie).
  • Uitlachen is niet vriendelijk en zorgt voor verwijdering. Wil je uitlachen laten stoppen, vraag dan een leerling met een serie gebaren daarmee te stoppen. Als de leerling daar niet op reageert, geef dan een Tip (Aansturen)